Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
19/178 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Re-integratieverplichting eigenrisicodrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2019-0059
USZ 2020/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 178 WW

Datum uitspraak: 4 december 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant

van 27 november 2018, 18/1336 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest bij [naam stichting] (werkgeefster). Werkgeefster is als overheidswerkgeefster op grond van artikel 72a van de Werkloosheidswet (WW) verantwoordelijk voor de re-integratie van werkloze ex-werknemers. Bij beschikking van 10 mei 2017 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen werkgeefster en appellant met ingang van 1 juli 2017 ontbonden. In de procedure bij de kantonrechter heeft appellant verzocht om de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij een onpartijdige derde (het Uwv) neer te leggen. De kantonrechter heeft over dat verzoek in de beschikking overwogen: “De verantwoordelijkheid voor re-integratie wordt, bij het einde van de arbeidsovereenkomst bij de werkgever weggenomen zodat [appellant's] verzoek daaromtrent geen beoordeling behoeft.”

1.2.

Op 19 mei 2017 is appellant door werkgeefster bij het re-integratiebedrijf PROambt Mobiliteit (PROambt) aangemeld. PROambt heeft appellant op verschillende data een aantal keren telefonisch geprobeerd te bereiken en op 29 mei 2017 een aangetekende brief gestuurd met het verzoek om vóór 6 juni 2017 contact op te nemen en een e-mailadres door te geven. De aangetekende brief is tevergeefs aangeboden op het adres van appellant en, nadat deze door appellant niet was afgehaald op het postkantoor, retour ontvangen door PROambt. Werkgeefster heeft op 19 juni 2017 aan appellant vervolgens bij aangetekende brief een waarschuwing gestuurd, waarbij onder andere is meegedeeld dat een melding verwijtbaar gedrag tijdens re-integratie wordt gedaan als appellant binnen twee weken geen contact opneemt met PROambt.

1.3.

Het Uwv heeft appellant bij besluit van 4 juli 2017 met ingang van 3 juli 2017 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW en daarin onder meer vermeld dat werkgeefster als eigenrisicodrager voor de WW verantwoordelijk is voor zijn
re-integratie.

1.4.

Nadat appellant aan de waarschuwing van werkgeefster geen gehoor heeft gegeven, heeft PROambt op 6 juli 2017 aan de hand van een formulier aan het Uwv een melding van verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject (melding) gedaan. Daarbij is kenbaar gemaakt dat appellant niet meewerkt aan het door werkgeefster geïnitieerde re-integratietraject.

1.5.

Bij besluit van 15 augustus 2017 heeft het Uwv besloten om appellant geen maatregel op te leggen, omdat appellant gelet op de beschikking van de kantonrechter aan zijn
re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Werkgeefster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 24 januari 2018 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Werkgeefster heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende het beroep heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 april 2018 (bestreden besluit 20 genomen. Het Uwv heeft het bezwaar gegrond verklaard en bij wijze van maatregel de aan appellant toegekende WW-uitkering met ingang van de dag na verzending van bestreden besluit 2 verlaagd met 25% gedurende vier maanden. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat, nu appellant weigert zijn medewerking te verlenen, het niet mogelijk is om de re‑integratie vorm te geven, zodat appellant de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW omschreven verplichting heeft geschonden. Werkgeefster heeft daarop het beroep ingetrokken.

2.2.

Appellant heeft tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft dit beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Appellant heeft te kennen gegeven dat werkgeefster gelet op de beschikking van de kantonrechter geen bemoeienis heeft met zijn re‑integratie en dat hij daarom geen reden heeft gezien om te reageren op de verzoeken van werkgeefster. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat vaststaat dat appellant niet heeft gereageerd op de pogingen van werkgeefster om contact op te nemen. Ook is de rechtbank ervan uitgegaan dat het voor appellant duidelijk was dat werkgeefster hem wilde re‑integreren in arbeid. Door niet te reageren op de (aangetekende) brieven van werkgeefster en PROambt en door telefonisch of per e-mail niet bereikbaar te zijn voor werkgeefster, heeft appellant het voor werkgeefster onmogelijk gemaakt om de re-integratie vorm te geven. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in de conclusie dat appellant zijn verplichting op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW heeft geschonden. Voor zover appellant heeft gesteld dat hij er, gelet op de beschikking van de kantonrechter, op mocht vertrouwen dat werkgeefster geen bemoeienis meer zou hebben met zijn re-integratie, heeft de rechtbank overwogen dat de kantonrechter geen oordeel heeft gegeven over het verzoek van appellant om de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij werkgeefster bij de re-integratie weg te nemen en dat de kantonrechter vermoedelijk heeft miskend dat werkgeefster een overheidswerkgeefster is die op grond van artikel 72a van de WW verantwoordelijk is voor de re-integratie van appellant. Artikel 72a van de WW is een dwingendrechtelijke bepaling waardoor aan de kantonrechter geen bevoegdheid toekomt om hiervan af te wijken. Appellant mocht er dan ook niet op vertrouwen dat werkgeefster geen bemoeienis meer zou hebben met zijn re-integratie. Deze onjuiste veronderstelling dient voor rekening en risico van appellant te blijven. Appellant heeft niets aangevoerd op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van het opleggen van de maatregel of deze had moeten matigen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep – samengevat – aangevoerd dat hij niet hoefde mee te werken aan de re-integratie omdat door de beschikking van de kantonrechter de re-integratie bij het einde van de arbeidsovereenkomst is weggenomen bij werkgeefster. Hij wist niet dat werkgeefster, ondanks de beschikking van de kantonrechter, verantwoordelijk bleef voor zijn re-integratie. De onjuiste veronderstelling zou niet voor zijn rekening en risico moeten komen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 10 tot en met 14 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.1.2.

Op grond van artikel 27, zesde lid, van de WW wordt een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.3.

In artikel 2, eerste lid aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit) is bepaald dat de hoogte en duur van een op te leggen maatregel wordt vastgesteld op 25 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie, bedoeld in de artikelen 5 en 6.

4.1.4.

Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel maatregelen Uwv bepaalt dat van verminderde ernst of verwijtbaarheid, die aanleiding is voor toepassing van een verlaagd percentage, sprake is indien het niet naleven van de verplichting, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene of de omstandigheden waaronder het niet naleven van de verplichting heeft plaatsgevonden, hem slechts in beperkte mate kan worden aangerekend.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op de hoogte was van zijn re‑integratieverplichting en dat hij niet aan deze verplichting heeft voldaan. In geschil is of en in welke mate appellant het niet nakomen van de verplichting kan worden verweten.

4.3.

De kantonrechter heeft weliswaar in de beschikking overwogen dat het verzoek van appellant geen beoordeling behoeft omdat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij het einde van de arbeidsovereenkomst bij werkgeefster wordt weggenomen, maar dat laat onverlet dat appellant na die beschikking er in het toekenningsbesluit van de WW-uitkering door het Uwv op is gewezen dat werkgeefster als eigenrisicodrager verantwoordelijk is voor zijn re-integratie. Gelet op deze tegenstrijdige informatie had het op de weg van appellant gelegen om na ontvangst van het besluit van 4 juli 2017 en nadat door werkgeefster en PROambt meerdere malen was getracht contact met hem te leggen, PROambt en het Uwv om opheldering te vragen over de vraag wie nu verantwoordelijk was voor zijn re-integratie dan wel om het aan werkgeefster of PROambt duidelijk te maken dat hij meende dat hij niet hoefde mee te werken aan de re-integratie. Appellant heeft dit nagelaten en aan geen enkele poging van werkgeefster en PROambt, om contact te leggen, gehoor gegeven. Er is daarom geen sprake van dat appellant van de overtreding geen enkel verwijt kan worden gemaakt en het Uwv heeft daarom terecht aanleiding gezien om een maatregel op te leggen. In het licht van wat de kantonrechter in zijn beschikking heeft overwogen, is evenwel niet onbegrijpelijk dat bij appellant verwarring is ontstaan over het al dan niet hoeven meewerken aan re‑integratie geïnitieerd door werkgeefster. In deze omstandigheden kan het appellant slechts in beperkte mate worden aangerekend dat hij de re-integratieverplichting niet is nagekomen. Dit levert grond op om de hoogte van de door het Uwv opgelegde maatregel te matigen.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en bestreden besluit 2, wegens strijd met artikel 27, zesde lid, van de WW, vernietigen. Er is aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat appellant een maatregel wordt opgelegd van 15% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden met ingang van 21 april 2018.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 20 april 2018 voor zover daarbij een maatregel van 25% gedurende vier maanden is opgelegd;

  • -

    bepaalt dat het uitkeringspercentage van de WW-uitkering van appellant met ingang van 21 april 2018 wordt verlaagd met 15% gedurende vier maanden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 april 2018;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) H. Spaargaren