Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
16/7023 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte niet nabetaald bedrag aan bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. De nabetaling heeft geen relatie met de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7023 PW

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
4 oktober 2016, 16/1091 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

F[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [naam gemeente] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.P.B. Moors, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Namens appellant is mr. Moors verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Barentsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant huurt vanaf 15 april 2015 een zelfstandige huurwoning in de gemeente [naam gemeente].

Hij ontvangt vanaf die datum bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 13 augustus 2015 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten ingediend tot een bedrag van € 2.082,-. Bij besluit van 10 september 2015 heeft het college aan appellant bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van inrichting tot een bedrag van € 341,45. Uit het aan deze toekenning ten grondslag liggende ambtelijke advies blijkt dat appellant in aanmerking zou kunnen komen voor bijzondere bijstand tot een bedrag van € 1.321,45, maar dat rekening moet worden gehouden met het bedrag van
€ 980,- dat appellant van stichting Moveoo heeft gekregen. Tevens heeft het college aan appellant een bestedingsplicht opgelegd, waarbij het college appellant erop heeft gewezen dat het toegekende bedrag van hem wordt teruggevorderd, indien hij binnen de gestelde termijn de bestedingsplicht niet nakomt. Bij besluit van 24 november 2015 heeft het college de toegekende bijstand van € 341,45 van appellant teruggevorderd, omdat appellant niet aan de bestedingsplicht heeft voldaan.

1.3.

Bij besluit van 1 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 september 2015 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft besloten om het besluit van 10 september 2015 te herroepen voor zover het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand voor inrichtingskosten was bepaald op € 341,45 en het toe te kennen bedrag alsnog vastgesteld op € 821,45, omdat bij nader inzien is gebleken dat van het bedrag dat appellant van Moveoo had gekregen een bedrag van € 480,- bestemd was voor tandartskosten. Met het resterende bedrag van € 500,- is volgens het college wel terecht rekening gehouden, omdat dit bedrag door Moveoo bestemd was voor inrichtingskosten voor de woning van appellant. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijziging van het besluit van 10 september 2015 er niet toe leidt dat een aanvullend bedrag wordt uitbetaald, aangezien appellant niet heeft voldaan aan zijn bestedingsverplichting en uitbetaling van een aanvullend bedrag ertoe zal leiden dat dit bedrag meteen behoort te worden teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant aan de voorwaarden van artikel 35 van de PW voldoet. Dit betekent dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. In geschil is of het college het bedrag van € 480,- terecht niet heeft nabetaald en of het college terecht rekening heeft gehouden met het door Moveoo toegekende bedrag van € 500,- .

4.2.

De beroepsgrond van appellant dat het college ten onrechte rekening heeft gehouden met een door Moveoo toegekend bedrag van € 500,-, slaagt niet. Uit de zich bij de stukken bevindende e-mail van Moveoo van 13 april 2015 blijkt dat dit bedrag bedoeld was om te worden besteed aan de inrichting van de nieuwe woning van appellant, zodat in zoverre in deze kosten reeds was voorzien.

4.3.

De beroepsgrond van appellant dat het college het bedrag van € 480,- alsnog aan hem had moeten nabetalen, slaagt. Er is geen wettelijke grondslag om dit bedrag niet aan appellant na te betalen. Het college heeft ter zitting erkend dat voor zover al een relatie kan worden gelegd met het terugvorderingsbesluit van 24 november 2015, dit uitsluitend betrekking kan hebben op het bij het besluit van 10 september 2015 toegekende en uitbetaalde bedrag van € 341,45, zodat het college een bedrag van € 138,55 ten onrechte niet heeft uitbetaald. Omdat ter zitting is gebleken dat de in het besluit van 24 november 2015 vastgestelde vordering van het college op appellant van een bedrag van € 341,45 inmiddels op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW is verrekend door inhoudingen op de aan appellant verleende bijstand kan ook voor laatstbedoeld bedrag geen relatie (meer) worden gelegd met het terugvorderingsbesluit van

24 november 2015, zoals het college heeft bepleit, waarbij de Raad niet nader ingaat op de vraag of dat mogelijk was. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen, voor zover het betrekking heeft op het niet uitbetalen van een bedrag van € 480,-. Dit betekent dat het college aan appellant alsnog het bedrag van € 480,- moet nabetalen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 maart 2016 voor zover het

betrekking heeft op het niet uitbetalen van een bedrag van € 480,-;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en Y.J. Klik en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhindert te ondertekenen.

md