Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
18/3701 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dringende reden voor ontslag. Geen contact met werkgever tijdens voorlopige hechtenis met beperkingen. Uitkering komt niet tot uitbetaling wegens verwijtbare werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/25
USZ 2020/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3701 WW

Datum uitspraak: 11 december 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 mei 2018, 17/4822 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.A.M. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds [datum] 2014 werkzaam in dienst van [werkgeefster] (werkgeefster), onder meer als [functie 1] . Op [datum] 2016 is appellante gearresteerd en in voorlopige hechtenis genomen. Tot en met 30 december 2016 golden daarbij voor appellante beperkingen hetgeen inhield dat zij alleen contact kon hebben met haar advocaat. Op 25 januari 2017 is de voorlopige hechtenis geschorst en is appellante in vrijheid gesteld.

1.2.

Appellante is vanaf 10 december 2016 niet verschenen op haar werk.

1.3.

Bij brief van 30 december 2016 heeft werkgeefster appellante te kennen gegeven het dienstverband wegens een dringende reden met onmiddellijke ingang per 29 december 2016 te beëindigen (ontslagbrief). Appellante heeft dit ontslag niet aangevochten.

1.3.1.

In de ontslagbrief heeft de werkgeefster het volgende opgenomen.
Vanaf zaterdag 10 december 2016 bent u niet verschenen op uw werk voor het uitvoeren van uw werkzaamheden.(…) Uw leidinggevende, [naam] , heeft sinds zaterdag 10 december 2016 tevergeefs dagelijks telefonisch contact met u geprobeerd te krijgen(…). In de

brief van 13 december 2016 is u (…) opgedragen om hierover uiterlijk op donderdag 15 december 2016 een schriftelijke verklaring in te leveren bij [naam] (…). In de brief van 16 december 2016 is u door [naam] , [functie 2] , nogmaals opgedragen om uiterlijk op donderdag 22 december 2016 voor 12:00 een schriftelijke verklaring in te leveren. Op woensdag 14 december 2016 is geconstateerd dat op donderdag 8 december 2016 vijf poststukken en een pakket niet zijn bezorgd. (…) Daarom is u in de brief van 16 december 2016 ook gevraagd zich hierover te verklaren. (…) In de brief van 22 december 2016 heeft u de laatste kans gekregen om voor woensdag 28 december 2016 voor 12:00 een schriftelijke verklaring bij uw teamleider in te leveren. In deze brief is aangegeven dat u per direct op non-actief bent gesteld totdat u een schriftelijke verklaring heeft ingeleverd en [werkgeefster] nader onderzoek heeft gedaan. In deze brief staat ook vermeld dat wanneer u binnen de genoemde termijn geen verklaring inlevert dan wel een verklaring inlevert die niet afdoende is uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.(…).

Ik heb geen schriftelijke verklaring van u ontvangen of op een andere wijze iets van u vernomen. [werkgeefster] stelt dan ook vast dat u vanaf zaterdag 10 december tot aan donderdag

22 december 2016 (…) onrechtmatig afwezig bent. Voorts stelt [werkgeefster] vast dat u drie keer een redelijke opdracht van uw werkgever, inhoudende het inleveren van een schriftelijke verklaring heeft genegeerd.(…).
[werkgeefster] is van mening dat u de verplichtingen die voortvloeien uit uw arbeidsovereenkomst ernstig hebt veronachtzaamd. Uw handelwijze is voor [werkgeefster] onacceptabel. Door uw handelwijze heeft u op grove wijze het vertrouwen dat [werkgeefster] in haar medewerkers stelt onherstelbaar geschonden.
Bovengenoemde feiten leveren ieder voor zich dan wel in onderlinge samenhang bezien een dringende reden op in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek.

Ik heb dan ook besloten het met u bestaande dienstverband op grond van (een) dringende reden(en) conform de artikelen 7:677 en 678 van het Burgerlijk Wetboek met onmiddellijke ingang te weten 29 december 2016, te beëindigen. (…)”.

1.4.

Op 14 februari 2017 heeft appellante een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op het aanvraagformulier heeft appellante vermeld dat zij op staande voet is ontslagen. Als reden voor het ontslag heeft appellante opgegeven dat zij op 9 december onterecht is gearresteerd en in een huis van bewaring verbleef onder gehele beperking. Appellante mocht geen contact hebben met de buitenwereld. Toen zij vrij kwam op 27 januari hoorde zij van het ontslag, aldus appellante op het aanvraagformulier.

1.5.

Bij besluit van 9 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2017 (bestreden besluit), heeft het Uwv vastgesteld dat appellante wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt betaald omdat appellante verwijtbaar werkloos is. Volgens het Uwv ligt aan de werkloosheid van appellante een dringende reden ten grondslag en kan appellante ter zake een verwijt worden gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank kort gezegd vastgesteld dat het Uwv in beroep met de brief van 2 februari 2018 de wettelijke en feitelijke grondslag van het bestreden besluit heeft gewijzigd. Het bestreden besluit berust daarom op onzorgvuldig onderzoek en een ondeugdelijke motivering. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat sprake is van een arbeidsrechtelijke dringende reden voor het ontslag van appellante op grond van de volgende feiten en omstandigheden. De werkgeefster heeft appellante telefonisch en bij brieven van 13, 16 en 22 december 2016 verzocht om een schriftelijke verklaring voor haar afwezigheid. Hierop heeft appellante niet gereageerd. Appellante is vanaf 10 december 2016 niet meer verschenen op haar werk zonder op enigerlei wijze contact op te nemen met de werkgeefster. Dit is volgens de rechtbank een ernstige misdraging op grond waarvan van de werkgeefster niet langer kon worden gevergd appellante in dienst te houden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden geen grond voor het oordeel dat van een dringende reden geen sprake is. Dat appellante van de dringende reden geen verwijt treft is niet gebleken. De beroepsgrond van appellante dat de aan haar opgelegde beperkingen er aan in de weg stonden om zelf contact op te nemen met haar werkgeefster slaagt niet. Haar advocaat had de werkgeefster wel kunnen inlichten over de afwezigheid van appellante zonder in te gaan op de bijzonderheden van de strafzaak.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten, omdat haar van de aanwezigheid van de arbeidsrechtelijke dringende reden voor ontslag geen verwijt kan worden gemaakt. Zij heeft bestreden dat zij zonder op enigerlei wijze contact op te nemen met de werkgeefster niet meer op het werk is verschenen. Daarvoor heeft appellante aangevoerd dat haar partner haar op 12 december 2016 telefonisch bij haar manager heeft ziek gemeld. Appellante heeft ter onderbouwing van haar stelling een e-mail van 11 september 2018 van haar partner, waarin hij aldus verklaart, overgelegd. Ook heeft zij afschriften van e-mail- en sms-correspondentie tussen de partner en de strafadvocaat van appellante overgelegd, alsmede een screenshot, gemaakt op 11 september 2018, van een bericht van haar voormalig manager. Verder heeft appellante onder verwijzing naar de correspondentie tussen haar partner en haar advocaat aangevoerd dat haar partner en de advocaat niet eerder dan op 30 december 2016 de beschikking kregen over de brieven van de werkgeefster. Als reden heeft appellante hiervoor aangegeven dat deze brieven naar het door haar aan de werkgeefster opgegeven postadres bij haar oom en tante in Amsterdam zijn verstuurd en haar oom en tante de brieven niet eerder aan haar partner ter hand hebben gesteld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

4.1.2.

Artikel 7:677, eerste lid, van het BW luidt:

Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

4.1.3.

In artikel 7:678, eerste lid, van het BW is het volgende opgenomen:

Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Op grond van het tweede lid, onder j, van deze bepaling wordt een dringende reden onder meer aanwezig geacht als een werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt.

4.1.4.

Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt - voor zover hier van belang - dat het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Met de uitspraken van 7 november 2018 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2018:3469) heeft de Raad het volgende beoordelingskader gegeven voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid. Gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, moet een materiële beoordeling plaatsvinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(en) van de werknemer, de wijze waarop de werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie het verweten gedrag beoordeelt, de in dat verband voor de werknemer kenbare bedoeling van de werkgever, de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een beëindiging van het dienstverband voor hem zou hebben. Ook indien die gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de gedraging(en) tot de conclusie leiden dat beëindiging van de dienstbetrekking gerechtvaardigd is. Indien tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW ten slotte nog moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

4.3.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

4.4.

Blijkens de – onder 1.3.1 weergegeven – inhoud van de ontslagbrief heeft de werkgeefster aan het ontslag ten grondslag gelegd dat appellante de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst ernstig heeft veronachtzaamd door vanaf 10 december 2016 niet meer op het werk te verschijnen voor het uitvoeren van haar werkzaamheden en zij niet heeft voldaan aan de door de werkgeefster bij diverse brieven gegeven opdrachten om een schriftelijke verklaring te leveren over het niet verschijnen en over het niet bezorgen van enkele poststukken en een pakket op 8 december 2016. Deze feiten en omstandigheden, elk voor zich dan wel in onderlinge samenhang bezien, vormden voor de werkgeefster een dringende reden voor ontslag als bedoeld in artikel 7:678, tweede lid, aanhef en onder j, van het BW. Niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag. Voorts kan appellante van de dringende reden een verwijt worden gemaakt.

4.5.

Dat appellante zelf geen contact met de werkgeefster kon opnemen in verband met de voorlopige hechtenis met beperkingen, maakt dit niet anders. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen en gelet op het verhandelde ter zitting door appellante uitdrukkelijk niet is betwist, had appellante via haar strafadvocaat de werkgeefster kunnen berichten over haar afwezigheid.

4.6.

Appellante heeft haar stelling dat haar partner op 10 dan wel 12 december 2016 contact met haar manager heeft gehad en haar heeft ziekgemeld niet aannemelijk gemaakt. Uit de door haar in hoger beroep overgelegde afschriften van de berichten tussen haar partner en de strafadvocaat volgt niet meer dan dat de partner van appellante op 10 december 2016 aan de advocaat heeft gemeld dat hij appellante heeft ziekgemeld in verband met haar werk. Blijkens het screenshot van het bericht van de voormalig manager van appellante, gemaakt op

11 september 2018, geeft hij aan dat hij contact heeft gehad met haar partner maar dat dit plaatsvond na de beëindiging van het dienstverband.

4.7.

Ook het betoog van appellante dat haar partner niet eerder dan op 30 december 2016 de beschikking kreeg over de brieven van de werkgeefster, kan haar niet baten. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat dit voor rekening en risico van appellante dient te komen gelet op de door haar bewust gemaakte keuze om niet haar feitelijke verblijfadres bij haar partner, maar het adres bij haar oom en tante waarop zij ingeschreven stond in de basisregistratie personen, als correspondentieadres te voeren.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en dat er geen sprake is van een situatie dat dit appellante niet in overwegende mate kan worden verweten. Op grond van artikel 27, eerste en elfde lid, van de WW was het Uwv gehouden de uitkering niet tot betaling te laten komen. De rechtbank heeft daarom op goede gronden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

4.9.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter en H.G. Rottier en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2019.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) B.V.K. de Louw