Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
17/3899 AOW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering toeslag op het AOW-pensioen. De Svb heeft de pensioeninkomsten van de echtgenote van appellant terecht aangemerkt als overig inkomen (artikel 2:4, eerste lid, onder m, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale verzekeringen), wat meebrengt dat deze inkomsten volledig op de toeslag op grond van de AOW dienen te worden gekort en wel over de maanden waarop deze inkomsten betrekking hebben. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2020/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3899 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2017, 16/7445 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 28 november 2019

Zitting heeft: mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum

Griffier: B.V.K. de Louw

Ter zitting zijn verschenen: echtgenote van appellant [naam echtgenote] , gemachtigde van appellant F.J. Rondaij en drs. W. van den Berg namens de Svb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1.1.

Aan appellant is een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend inclusief een partnertoeslag. De hoogte van de partnertoeslag is verschillende keren gewijzigd in verband met het inkomen van de echtgenote van appellant.

1.2.

De echtgenote van appellant heeft op 10 augustus 2015 aan de Svb laten weten dat zij vanaf augustus 2015 een uitkering van ongeveer € 850,- per maand gaat ontvangen. In verband hiermee is de hoogte van de toeslag per augustus 2015 gewijzigd uitgaande van een fictief inkomen van €900,- per maand. De Svb heeft vervolgens uit informatie van de pensioenmaatschappij geconcludeerd dat de echtgenote met ingang van februari 2015 een pensioen ter hoogte van € 888,97 ontvangt, waarvan de eerste uitbetaling over de maanden februari tot en met juli 2015 in augustus 2015 heeft plaatsgevonden.

1.3.

Bij besluit van 16 juni 2016 is de hoogte van de toeslag vanaf februari 2015 tot en met juli 2015 herzien in verband met het pensioeninkomen van de echtgenote van appellant. Bij besluit van dezelfde datum is de over die periode aan te veel ontvangen toeslag ter hoogte van € 4.743,44 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 25 oktober 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen de besluiten van 16 juni 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de betaling van € 4.743.44 terecht is toegerekend aan de maanden waarover het recht op pensioen is vastgesteld, dus over de periode februari tot en met juli 2015. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

3. In hoger beroep heeft appellant het beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald. Verder heeft appellant aangevoerd dat de toeslag niet met terugwerkende kracht herzien mag worden, omdat hij al zijn verplichtingen is nagekomen en niet heeft kunnen onderkennen dat de toeslag ten onrechte werd verstrekt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Svb met recht vanaf februari 2015 tot en met juli 2015 de toeslag op het AOW-pensioen van appellant heeft herzien, en of de Svb met recht een bedrag van € 4.743,44 aan te veel ontvangen toeslag heeft teruggevorderd.

4.2.

Voorop wordt gesteld dat de Svb de pensioeninkomsten van de echtgenote van appellant terecht heeft aangemerkt als overig inkomen (artikel 2:4, eerste lid, onder m, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale verzekeringen), wat meebrengt dat deze inkomsten volledig op de toeslag op grond van de AOW dienen te worden gekort en wel over de maanden waarop deze inkomsten betrekking hebben.

4.3.

Appellant doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en voert in dat verband aan dat bij telefonische navraag door medewerkers van de Svb is meegedeeld dat de pensioeninkomsten worden gekort over de maand waarin deze inkomsten feitelijk zijn uitbetaald.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke toezegging is gedaan. Appellant heeft weliswaar aangetoond dat er telefonisch contact is geweest met de Svb in november 2014, maar wat tijdens dat contact is besproken is, bij gebrek aan een telefoonnotitie, niet bekend. Dat de Svb hiervan geen telefoonnotitie heeft opgemaakt is spijtig, maar dat betekent niet dat om die reden aangenomen kan worden dat sprake is geweest van een toezegging als hierboven bedoeld.

4.4.

Het beleid van de Svb staat niet aan herziening met terugwerkende kracht in de weg, nu het appellant duidelijk heeft kunnen zijn dat een nabetaling van het pensioeninkomen van zijn echtgenote die betrekking had op een periode waarover appellant toeslag ontving, van invloed zou zijn op de toeslag.

4.5.

De Svb heeft het recht op toeslag op het AOW-pensioen terecht vanaf februari 2015 tot en met juli 2015 herzien. Gelet hierop was de Svb voorts gehouden het als gevolg van de herziening van de toeslag over de periode van februari 2015 tot en met juli 2015 onverschuldigd betaalde toeslag van appellant terug te vorderen. Appellant heeft tegen deze terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen verdere bespreking behoeft.

4.6.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) B.V.K. de Louw (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum