Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
18/4459 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:5521, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking. Langer verblijf buiten Nederland dan toegestaan. Geen sprake van zeer dringende redenen nu betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde. Niet van belang is of betrokkene een verwijt kan worden gemaakt van het langer verblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4459 PW

Datum uitspraak: 26 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2018, 18/1165 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. Šimičević, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mersel. Namens betrokkene is mr. Šimičević verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Na een aanvraag om toestemming voor verblijf in het buitenland in de periode van 27 juli 2017 tot en met 27 augustus 2017 heeft betrokkene van het college toestemming gekregen in het buitenland te verblijven gedurende de periode van 27 juli 2017 tot en met 24 augustus 2017. Betrokkene heeft op 25 september 2017 onder overlegging van reisbescheiden een formulier terugmelden verblijf in het buitenland ingediend waarin zij aan het college heeft meegedeeld dat zij op 23 juli 2017 is vertrokken naar het buitenland en op 21 september 2017 is teruggekeerd.

1.2.

Bij besluit van 6 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 januari 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van betrokkene over de periode van 21 augustus 2017 tot en met 21 september 2017 ingetrokken. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene langer dan de wettelijk toegestane periode verblijf heeft gehouden buiten Nederland, dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de PW in de weg staat aan het verlenen van bijstand in de periode dat betrokkene langer in het buitenland verbleef en dat geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen, waarbij betrokkene als eiseres is aangeduid en het college als verweerder:

“Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het college bij een beroep op dringende redenen te bezien of aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, er dringende redenen zijn toch bijstand te verlenen, zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 13 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:799 en 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:16. De rechtbank stelt vast dat in die uitspraken de betrokkenen er zelf voor hebben gekozen langer in het buitenland te verblijven, terwijl zij in staat werden geacht terug te reizen naar Nederland. In de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1776, is sprake van een vergelijkbare situatie als die van eiseres. Ook in die situatie heeft de Raad geen dringende redenen aanwezig geacht. Daarbij is in rechtsoverweging 5.6 als volgt overwogen:

(…) Nog daargelaten of appellant aansluitend op de hem toegestane vier weken door overmacht niet kon terugkeren naar Nederland, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in behoeftige omstandigheden is komen te verkeren. (…)

Naar het oordeel van de rechtbank is het onjuist om in een situatie als die van eiseres het voor haar risico te laten dat de tijdige terugreis niet is gelukt. Eiseres heeft bewijsmateriaal overgelegd (vliegtickets met datum 17 augustus 2017, bewijs van inname van het paspoort) en daarmee aannemelijk gemaakt dat zij wel de intentie had tijdig (…) terug te keren naar Nederland.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiseres sprake van een situatie van overmacht die ofwel maakt dat verweerder de bevoegdheid ontbeert een besluit als hier aan de orde te nemen dan wel in ieder geval dringende redenen oplevert omdat het eiseres niet valt aan te rekenen dat haar verblijf langer heeft geduurd dan (ook door haar) gewenst en de kosten voor haar en haar gezin in Nederland doorliepen.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat eiseres verwijtbaar heeft gehandeld.”

3. In hoger beroep heeft het college zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daartoe onder meer aangevoerd dat betrokkene in de periode dat zij langer in Iran verbleef niet verkeerde in behoeftige omstandigheden die op geen enkele andere wijze te verhelpen waren dan door bijstandverlening.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand. Niet in geschil is dat betrokkene op grond van deze bepaling uitgesloten was van het recht op bijstand gedurende de periode van 21 augustus 2017 tot en met 21 september 2017 (periode in geding), omdat zij in die periode in het buitenland verbleef terwijl zij daar al vier weken had verbleven.

4.2.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van onder meer artikel 13 van de PW, bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028) doen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Gelet hierop is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet van belang of het betrokkene te verwijten is dat zij langer dan was toegestaan in het buitenland heeft verbleven. Artikel 16 van de PW is voorts een uitzonderingsbepaling. Het ligt daarom op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat aan deze voorwaarden is voldaan.

4.3.

In het midden kan blijven of voor betrokkene in de periode in geding een acute noodsituatie bestond als hiervoor bedoeld. Betrokkene heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode van 21 augustus 2017 tot en met 21 september 2017 verkeerde in behoeftige omstandigheden die alleen met bijstandverlening te verhelpen waren. Betrokkene verbleef in die periode bij familieleden, eerst in Iran en later in Turkije. Ter zitting is komen vast te staan dat die familieleden voorzien hebben in haar levensonderhoud. Betrokkene is zelfs in staat gebleken een Turkse boete en een eersteklasticket voor haar vliegreis van Turkije naar Nederland contant – al dan niet met geleend geld – te betalen. Alleen al omdat betrokkene niet in behoeftige omstandigheden verkeerde, zijn er geen dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW die er toe nopen om haar over de periode in geding algemene bijstand te verlenen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 30 januari 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R.I.S. van Haaren