Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3921

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
17/1879 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:337, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7292, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv bij de beoordeling van de laattijdige Wajong-aanvraag van betrokkene had moeten uitgaan van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling in eerste aanleg en, daarvan uitgaande, in bezwaar tevens een arbeidskundige herbeoordeling had moeten verrichten, wordt ontkennend beantwoord. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 1 april 2016 en 7 december 2016 overtuigend gemotiveerd dat, gelet op die omstandigheden, de verzekeringsarts niet kan worden gevolgd in de door hem op achttienjarige leeftijd bij betrokkene aangenomen psychische beperkingen. Vaste rechtspraak laattijdige aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1879 Wajong

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 november 2016, 16/4127 (aangevallen tussenuitspraak) en van 18 januari 2017, 16/4127 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R. Lessy, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Namens betrokkene is mr. U. Santi, advocaat en kantoorgenoot van mr. Lessy, verschenen als haar gemachtigde.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, geboren [in] 1980, heeft de basisschool doorlopen en vervolgens (v)mbo-opleidingen gevolgd tot 1999, zonder een diploma te behalen. Vanaf mei 2000 heeft zij gewerkt als fulltime verkoopster. Op 12 maart 2003 heeft zij zich ziek gemeld voor dit werk. Het Uwv heeft haar vervolgens een uitkering op grond van de wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend over de periode van 7 juli 2004 tot en met 4 september 2006. Betrokkene heeft rechtsmiddelen ingesteld tegen het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering, maar dit heeft niet geleid tot het door haar gewenste resultaat. Bij uitspraak van 11 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH6240) heeft de Raad geoordeeld dat de WAO-uitkering terecht is beëindigd met ingang van 4 september 2006. Over de periode van 28 februari 2011 tot 11 juli 2012 is de WAO-uitkering heropend wegens toegenomen beperkingen. Tegen de beëindiging van de WAO-uitkering met ingang van

11 juli 2012 heeft appellante procedures gevoerd tot aan de Raad. Bij uitspraak van 2 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:604) heeft de Raad geoordeeld dat de WAO-uitkering terecht is beëindigd met ingang van 11 juli 2012.

1.2.

Betrokkene heeft op 13 maart 2015 een (laattijdige) aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Hierbij heeft zij informatie bijgevoegd van GGZ Breburg, daterend uit april 2015, waaruit blijkt dat bij haar persoonlijkheidsstoornissen zijn vastgesteld. De aanvraag is afgewezen bij besluit van 31 juli 2015. Aan dit besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, waarbij het standpunt is ingenomen dat betrokkene weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar wel arbeidsvermogen heeft. Bij beslissing op bezwaar van 27 mei 2016 (bestreden besluit) heeft Uwv het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2015 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de bijgevoegde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 april 2016 en 24 mei 2016, waarin het standpunt is ingenomen dat op basis van de ingebrachte gegevens uit 2015 geen beperkingen voortvloeiend uit ziekte of gebrek vast te stellen zijn bij betrokkene op achttienjarige leeftijd, 23 juli 1998.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het voldoende aannemelijk is dat er in het achttiende levensjaar van betrokkene sprake was van beperkingen als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, gelet op informatie van de huisarts van 2 mei 2016, de conclusie van de verzekeringsarts dat er zeker sprake was van forse beperkingen op persoonlijk en sociaal vlak en de opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat niet kan worden uitgesloten dat er sprake was van dergelijke beperkingen. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Bij de beoordeling of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, heeft de rechtbank overwogen dat zal worden uitgegaan van de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsarts. Daarvan uitgaande heeft, naar het oordeel van de rechtbank, ten onrechte geen arbeidskundige beoordeling in bezwaar plaatsgevonden. Daarom heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om alsnog een standpunt in te nemen over de door betrokkene naar voren gebrachte arbeidskundige bezwaren en de vraag of betrokkene arbeidsvermogen had op haar achttiende verjaardag.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat, omdat het Uwv geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot herstel van het geconstateerde gebrek, het beroep gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak en de tussenuitspraak.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 december 2016 is ingediend bij de rechtbank. In dat rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar standpunt, dat er onvoldoende medische informatie voorhanden is om de belastbaarheid van betrokkene op het achttiende jaar (23 juli 1998), nu achttien jaar later nog te kunnen vaststellen, van een nadere motivering voorzien. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist was en dat er ten onrechte geen beoordeling door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden op basis van de medische beoordeling van de verzekeringsarts. Het Uwv heeft de Raad dan ook verzocht om zowel de aangevallen tussenuitspraak als de aangevallen uitspraak te vernietigen en het beroep ongegrond te verklaren.

3.2.

Betrokkene heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.

4.2.

Bij een laattijdige aanvraag als hier aan de orde dient, naast een beoordeling aan de hand van de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, beoordeeld te worden of de betrokkene op grond van artikel 1a:1, tweede lid, alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat hij (in dit geval) op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden. Zie ook de uitspraak van de Raad van 24 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2565).

4.3.

De vraag ligt voor of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv bij de beoordeling van de laattijdige Wajong-aanvraag van betrokkene had moeten uitgaan van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling in eerste aanleg en, daarvan uitgaande, in bezwaar tevens een arbeidskundige herbeoordeling had moeten verrichten. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord, gelet op het volgende.

4.4.

Uit het ingebrachte testrapport van GGZ Breburg van april 2015 blijkt dat op basis van in april 2015 verricht intelligentieonderzoek (WAIS-IV-NL) is vastgesteld dat bij betrokkene sprake is van een beneden gemiddeld intelligentieniveau (TIQ=82) en dat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek (afgenomen SCID-II interview) als diagnose een antisociale, borderline, narcistische en paranoïde persoonlijkheidsstoornis met obsessief-compulsieve, passief-agressieve, depressieve, schizotypische en schizoïde persoonlijkheidstrekken bij betrokkene is gesteld.

4.5.

Het Uwv heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de in beroep ingebrachte rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 1 april 2016, op basis van de voorhanden dossierstukken, de door haar bijgewoonde hoorzitting met betrokkene op 21 december 2015 en de door haar op 21 maart 2016 verkregen medische informatie van de huisarts, vastgesteld dat de conclusie van de verzekeringsarts dat betrokkene al op achttienjarige leeftijd beperkingen moet hebben gehad in het psychische vlak, niet logisch en inzichtelijk volgt uit de onderzoeksgegevens, zoals de in het kader van de WAO-beoordelingen bekende medische gegevens, de ingebrachte medische gegevens die zien op de periode vanaf 2005 en de eigen onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts. Over de periode vanaf het achttiende jaar en vijf jaar daarna, is nauwelijks medische informatie beschikbaar. Er is een ziekmelding van maart 2003 met zwangerschaps- en darmklachten, die heeft geleid tot een WAO-beoordeling in 2004 waarbij beperkingen zijn vastgesteld wegens fysieke (pijn-)klachten en PTSS, voortvloeiend uit de voor betrokkene destijds traumatisch verlopen bevalling. Daarnaast is geen informatie voorhanden over het functioneren van betrokkene over de periode van 23 juli 1998 tot 23 juli 2003. De oudste informatie dateert van 2005, waarbij de diagnose PTSS bij relatieproblemen is gesteld. Op basis van de beschikbare informatie kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden geconcludeerd dat rond het achttiende jaar bij betrokkene sprake was van beperkingen in het psychische vlak, zoals vastgesteld door de verzekeringsarts. Bij nader rapport van 7 december 2016, uitgebracht in reactie op de aangevallen tussenuitspraak, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar standpunt gehandhaafd. In de door de rechtbank aangehaalde brief van de huisarts van 2 mei 2016 heeft de huisarts uiteengezet dat de diagnoses van impulsbeheersingsstoornis, borderlinepersoonlijkheid en antisociale persoonlijkheid weliswaar nu pas bij betrokkene zijn gesteld, maar haar leven lang hebben gespeeld en meest tot uiting komen vanaf de puberteit. Dit is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een algemene uitspraak van de huisarts, die onvoldoende concrete medische grond vormt voor het aannemen van beperkingen op achttienjarige leeftijd. Over de door betrokkene ingebrachte informatie van GGZ

Midden-Brabant van 9 juli 1996 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat hieruit blijkt van een contact met de crisisdienst op 9 juli 1996 (vijftienjarige leeftijd) wegens een dreigende relatiebreuk, waarbij door GGZ is geadviseerd bij een eventuele volgende escalatie niet te snel de crisisdienst in te schakelen, aangezien betrokkene snel was gekalmeerd. Deze informatie geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenmin aanleiding tot het stellen van medisch objectiveerbare beperkingen op achttienjarige leeftijd.

4.6.

Het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingenomen standpunt, zoals verwoord onder 4.5, wordt onderschreven. Betrokkene heeft ten tijde van belang gewerkt als

leerling-kapster, caissière en laatstelijk tot haar uitval in maart 2003 langdurig als fulltime verkoopster. Een dergelijk arbeidsverleden wijst er in beginsel niet op dat bij betrokkene sprake is geweest van het duurzaam ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wajong. Het standpunt van betrokkene dat zij in haar werk veel conflicten had en er toen al sprake was van narcistische trekken, wordt niet ondersteund met stukken waaruit dit blijkt. In het kader van de WAO hebben in de loop der tijd voorts diverse medische beoordelingen plaatsgevonden door verzekeringsartsen, waarbij tijdens de spreekuurcontacten geen aanwijzingen zijn gezien voor persoonlijkheidsstoornissen bij betrokkene. Van aanwijzingen voor mogelijke persoonlijkheidsproblemen, die zouden passen bij de inmiddels in 2015 bij betrokkene gestelde diagnoses, blijkt evenmin uit medische informatie uit die periode. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 1 april 2016 en 7 december 2016 overtuigend gemotiveerd dat, gelet op die omstandigheden, de verzekeringsarts niet kan worden gevolgd in de door hem op achttienjarige leeftijd bij betrokkene aangenomen psychische beperkingen. Hierbij heeft tevens te gelden dat bij een laattijdige aanvraag als de onderhavige een retrospectieve beoordeling dient plaats te vinden over een tijdvak in een (ver) verleden. Dat het op basis van de overgelegde stukken niet mogelijk is om medisch objectiveerbare beperkingen in de in geding zijnde periode van

23 juli 1998 tot 23 juli 2003 vast te stellen, komt voor risico van betrokkene, nu volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraken van de Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477) de bewijslast en dus ook het bewijsrisico bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt.

4.7.

Gelet op het voorgaande heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat betrokkene als gevolg van ziekte of gebrek in de van belang zijnde periode duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. Betrokkene kan daarom niet worden aangemerkt als jonggehandicapte op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong of artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong, Bij het bestreden besluit is terecht het besluit tot afwijzing van de Wajong-aanvraag van betrokkene gehandhaafd.

4.8.

Uit overwegingen 4.6 en 4.7 volgt dat het hoger beroep doel treft. De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak moeten worden vernietigd en het inleidend beroep moet ongegrond worden verklaard.

4.9.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en D. Hardonk-Prins en H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) V.Y. van Almelo

JvC