Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
17/7487 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7595, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het zorgkantoor heeft in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik kunnen maken en het teveel betaalde voorschot kunnen terugvorderen. Verantwoording van de besteding van het pgb is de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7487 AWBZ

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 oktober 2017, 16/2372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018. Namens appellant is

mr. Kaya verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.D. Saro.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 10 december 2012 heeft het zorgkantoor op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. Nadien is de verlening gewijzigd, laatstelijk tot een bedrag van € 18.642,99 netto.

1.2.

Bij besluit van 27 augustus 2014 heeft het zorgkantoor het pgb voor het jaar 2013 vastgesteld op € 8.258,44. Daarbij is overwogen dat aan appellant een pgb van € 18.642,99 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 279,64 geldt en dat van de door appellant ingezonden verantwoording een bedrag van € 7.978,80 wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van appellant een bedrag van € 10.384,55 wordt teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 26 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2014 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op de standpunten dat zorgverlener [naam zorgverlener] B.V. ([naam zorgverlener]) geen zorg heeft verleend en dat het overnemen van de administratie door [naam zorgverlener] niet uit het pgb mag worden vergoed. Voorts ligt aan het bestreden besluit ten grondslag dat appellants moeder ([naam moeder]) aan appellant persoonlijke verzorging heeft verleend die als

AWBZ-zorg wordt beschouwd, maar dat appellant niet aannemelijk en/of inzichtelijk heeft gemaakt dat zijn moeder is betaald voor de verleende zorg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zorgkantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de opgelegde verplichtingen. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat en in welke mate [naam zorgverlener] hem begeleiding bood bij het doen van de administratie. Van maandelijkse betalingen aan appellants moeder voor de door haar geleverde zorg is niet gebleken. Het zorgkantoor heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen overgaan tot een lagere vaststelling en terugvordering van het pgb.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het pgb juist is besteed. Appellants moeder heeft aan hem feitelijk zorg verleend die vanuit het pgb betaald moet worden. De betalingen hiervoor zijn aan de verkeerde instantie gedaan maar het pgb is wel juist besteed. Zolang kwalitatieve zorg is verleend, is naar de opvatting van appellant het zorgkantoor niet bevoegd zich hierin te mengen. Ook de betalingen van [naam zorgverlener] aan appellants moeder zijn vergoedingen voor de door haar geleverde zorg. Appellant heeft verwezen naar loonstroken van [naam zorgverlener] aan [naam moeder]. Ten onrechte heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat [naam zorgverlener] de administratie van appellant volledig overnam en dat [naam zorgverlener] geen AWBZ-zorg heeft verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Het zorgkantoor was dus bevoegd met toepassing van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.2.

Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij de uitoefening van de bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de verzekerde onevenredige uitkomst. Bij deze afweging is van belang of de verzekerde, ondanks dat door hem niet aan de gestelde verplichtingen is voldaan, voldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend, dat deze zorg uit het pgb mag worden betaald en dat deze zorg daadwerkelijk is betaald. Nu de bewijslast in deze op de verzekerde rust, draagt verzekerde het bewijsrisico. Als door de verzekerde onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk wordt gemaakt dat, en in welke omvang, AWBZ-zorg is verleend en betaald, dient zijn belang te wijken voor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen.

4.3.

Voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. Dit uitgangspunt blijft ook overeind indien de verzekerde de administratie van het pgb overlaat aan een derde, zoals een zorgverlener. Als door het handelen of nalaten van die derde de besteding van het pgb niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels is verantwoord, komt dat in de relatie tussen de verzekerde en het zorgkantoor voor rekening en risico van de verzekerde. De omstandigheid dat appellant het gehele beheer van het pgb, inclusief de verantwoording van de besteding, aan een derde ([naam zorgverlener]) heeft overgelaten kan hem daarom niet baten.

4.4.

De rechtbank is op basis van de gronden van beroep tot een juist oordeel gekomen. De Raad deelt de overwegingen van de rechtbank en het hierop gebaseerde oordeel omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

4.5.

Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit dan waartoe de rechtbank is gekomen. De discrepanties in de vermelde bedragen op de verantwoording, de facturen en de bankafschriften zijn ook in hoger beroep niet overtuigend verklaard. Daarbij komt dat niet in geschil is dat [naam zorgverlener] appellant geen persoonlijke verzorging en begeleiding groep heeft geleverd terwijl [naam zorgverlener] daarvoor wel bedragen in rekening heeft gebracht. Appellant heeft voorts ook in hoger beroep nog geen begin van bewijs geleverd dat [naam zorgverlener] hem begeleiding bij de administratie dan wel activiteiten buitenshuis heeft geboden. In het overlegde zorgplan van [naam zorgverlener] staat niets over dit soort individuele begeleiding.

4.6.

Ook in hoger beroep is niet gebleken van een controleerbare onderbouwing bij appellants stelling dat geen sprake was van overname van de administratie door [naam zorgverlener] maar dat hij door [naam zorgverlener] werd begeleid bij het doen van de administratie.

4.7.

Ook in hoger beroep is geen deugdelijke financiële verantwoording met betrekking tot de door appellants moeder verleende zorg overgelegd. Blijkens de gedingstukken heeft appellant zijn moeder niet betaald voor de verleende zorg. Volgens appellant heeft hij betalingen verricht aan de verkeerde instantie, namelijk [naam zorgverlener] in plaats van zijn moeder. Appellant heeft voorts geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat zijn moeder in het jaar 2013 meerdere betalingen met de omschrijving “salaris” heeft ontvangen van [naam zorgverlener] en in hoger beroep zelfs loonstroken heeft overgelegd terwijl zij stelt geen dienstbetrekking met [naam zorgverlener] te hebben en alleen een zorgovereenkomst met appellant te hebben. Dat de betalingen aan appellants moeder volgens appellant terugbetalingen van [naam zorgverlener] zijn voor niet-verleende zorg bevestigt enkel de eerdere conclusie dat [naam zorgverlener] geen zorg heeft verleend aan appellant.

4.8.

Nu het zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft gemaakt, heeft het zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 10.384,55 aan voorschotten betaald. Het zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het zorgkantoor niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.9.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.A.A. Traousis

md