Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
18/1524 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op studiefinanciering voor Unieburger. Niet voldaan aan verblijfsvoorwaarde van vijf jaar, zodat moet worden beoordeeld of sprake is van voldoende economische activiteit. Het bewijs dat daaraan wordt voldaan moet door de studerende worden geleverd. In dit geval is het vereiste bewijs geleverd. Met de werkzaamheden die voldoende zijn komen vast te staan is sprake van voldoende economische activiteit. De minister is ten onrechte overgegaan tot herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/1524 WSF

Datum uitspraak: 4 december 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 februari 2018, 17/2794 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (Litouwen) (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Gabrelian, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. De zaak is gelijktijdig met 16 vergelijkbare zaken behandeld. Voor appellante zijn verschenen mr. Gabrelian en mr. P.S. Folsche, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots en mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft de Litouwse nationaliteit. De minister heeft, voor zover hier van belang, aan appellante vanaf maart 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 29 januari 2016 heeft de minister de toekenning herzien en deze over de maanden maart tot en met november 2012 op nihil gesteld omdat appellante in deze periode niet is aan te merken als migrerend werknemer, zodat zij geen recht heeft op studiefinanciering.

1.3.

Bij besluit van 13 april 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 januari 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, voor zover hier van belang, overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in de periode waarover de toegekende studiefinanciering is herzien, niet is te beschouwen als migrerend werknemer omdat zij niet heeft aangetoond dat zij bij [bedrijf] ten minste 32 uur per maand feitelijk arbeid heeft verricht en dat het zich uitsluitend beschikbaar houden voor het verrichten van arbeid niet volstaat. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een reële constructie, waarbij onder gezag van een werkgever de verplichting bestond persoonlijk arbeid te verrichten en waarbij tegenover gewerkte uren een beloning stond. Volgens de rechtbank mocht de minister de toekenning herzien op de grond dat appellante wist of redelijkerwijs kon weten dat de toekenningsbeschikking onjuist was, omdat zij salarisspecificaties had overgelegd van maanden waarin zij in het geheel niet aantoonbaar arbeid had verricht, terwijl uit het beschikbare voorlichtingsmateriaal bekend had kunnen zijn dat dat wel vereist was. In de maanden waarin zij werkzaamheden heeft verricht voor ‘Recruit a Student’ en [BV 1] heeft zij minder uren gewerkt dan nodig is om de status van migrerend werknemer te verwerven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het beoordelingskader van deze zaak en de algemene beschouwingen over de rechtsvragen die – ook – in dit geding aan de orde zijn, wordt verwezen naar de uitspraak van heden in de zaak 18/852 WSF, ECLI:NL:CRVB:2019:3700. Deze uitspraak is aangehecht.

4.2.

In het geval van appellante is in geschil of zij over de maanden maart tot en met november 2012 kon worden beschouwd als migrerend werknemer.

4.3.

Bij de in beroep overgelegde stukken bevinden zich enkele documenten die blijkens een daarbij gevoegde e-mailwisseling tussen appellante en een medewerker van [bedrijf] /Studentify in opdracht van laatstgenoemde zijn gemaakt, waarbij appellante ook door deze medewerker werd aangestuurd. Het betreft documenten waarin appellante kennis en ervaringen beschrijft, die via een website van [BV 2] (kunnen) worden gedeeld met andere studenten. Appellante heeft gesteld dat zij aan haar opdrachten in de maanden september en oktober 2012 in totaal ongeveer 16 uren per maand heeft besteed en in de maand november ongeveer 8 uren. Gelet op de omvang van de documenten (minimaal 600 woorden per document) en het daarbij te verrichten voorwerk lijkt dat een niet onaannemelijke schatting, zodat ervan kan worden uitgegaan dat appellante in die maanden de hiervoor vermelde uren feitelijk heeft gewerkt. Appellante heeft gesteld in deze maanden ook bijles te hebben gegeven en van in totaal 14 afspraken in september 2012 en van 16 afspraken in oktober 2012 heeft zij ‘notificaties’ overgelegd. Er is geen aanleiding aan deze ‘notificaties’ als bewijsmiddel te twijfelen. Tot de stukken behoren ook loonstroken van [BV 1] en Recruit a Student. De loonstroken van [BV 1] vermelden 12 gewerkte uren voor september 2012 en 25,5 gewerkte uren voor oktober 2012. Met verwijzing naar de loonstrook van Recruit a Student van een week heeft appellante het aantal gewerkte uren berekend op bijna 8 uur voor september 2012. Wanneer de gewerkte uren per maand worden opgeteld moet worden vastgesteld dat appellante in 2012 in de maanden september en oktober ruimschoots voldeed aan de norm die in het beleid van de minister wordt gesteld. Bezien het door de minister gevoerde beleid heeft appellante daarmee over de maanden september en oktober de status van migrerend werknemer. In de overige maanden is de omvang van de aantoonbaar verrichte werkzaamheden dermate gering, dat, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, appellante in die maanden die status niet heeft. De Raad wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2502. Nog afgezien van de vraag wat – in het voorliggende geval – het zich voor de overige uren beschikbaar houden voor werkzaamheden zou kunnen betekenen, moet worden vastgesteld dat appellante haar beschikbaarheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Bezien tegen de achtergrond van de beschouwingen in de onder 4.1 genoemde uitspraak en onder overneming van de in die uitspraak gegeven motivering, komt de Raad tot de slotsom dat de minister appellante, behoudens over de maanden september en oktober 2012, terecht niet heeft beschouwd als migrerend werknemer en dat het recht op studiefinanciering van appellante over de resterende in geding zijnde maanden volledig mocht worden herzien.

4.4.

Wat is verwogen onder 4.1 tot en met 4.3 betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de maanden september en oktober 2012. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd en het besluit van 29 januari 2016 moet worden herroepen voor zover het op deze maanden betrekking heeft. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd, zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust.

5. Er is aanleiding de minister te veroordelen in de kosten die appellante heeft gemaakt voor het bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 3.840,- (bezwaarschrift, beroepschrift, hogerberoepschrift, twee zittingen, wegingsfactor 1,5). Voor de behandeling worden deze zaak en de zaak 18/1518 WSF als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwd. In beide zaken zal de minister worden veroordeeld in de helft van de totale kosten, in deze zaak daarom tot een bedrag van € 1.920,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de maanden september en oktober 2012;

- vernietigt het besluit van 13 april 2017 voor zover dat op de maanden september en oktober 2012 betrekking heeft;

- herroept het besluit van 29 januari 2016, voor zover dat betrekking heeft op de maanden september en oktober 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 13 april 2017;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.920,-;

- bepaalt dat de minister aan appellante het door haar voor het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter, en E.E.V. Lenos en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) M. Graveland