Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:386

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
17/2100 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Appellante heeft niet gemeld dat zij gehuwd was. Van duurzaam gescheiden leven is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2100 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2017, 16/2928 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

Datum uitspraak: 15 januari 2019

Zitting hebben: J.L. Boxum als voorzitter en E.C.R. Schut en P.W. van Straalen als leden.

Griffier: F.H.R.M. Robbers.

Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellante ontving met ingang van 6 juni 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de bijstand ingetrokken en teruggevorderd omdat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij gehuwd was. Omdat zij gehuwd was kon zij geen aanspraak maken op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

Appellante stelt dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat zij en haar echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden.

Het college heeft dat standpunt niet ingenomen maar stelt juist dat appellante aannemelijk moet maken dat zij duurzaam gescheiden leeft.

Het college heeft aannemelijk gemaakt dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij gehuwd was. Het is dan aan appellante om aannemelijk te maken dat, als zij wel had voldaan aan haar inlichtingenverplichting, zij wel recht had op bijstand naar de norm van een alleenstaande.

Appellante stelt wel dat zij en haar echtgenoot duurzaam gescheiden leefden, maar de rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat uit de feiten en omstandigheden niet ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, waarbij ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en dat dit door één van hen als bestendig is bedoeld. Appellante onderbouwt haar stelling, dat zij en haar echtgenoot duurzaam gescheiden leefden, niet met concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden. Niet samenwonen is daartoe onvoldoende. De echtelijke samenleving kan immers ook bestaan zonder dat de echtgenoten feitelijk samenwonen.

De in hoger beroep aangevoerde gronden slagen niet.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) J.L. Boxum

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.

md