Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
02-12-2019
Zaaknummer
18/759 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:9999, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering in verband met stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/759 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 19 november 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2017, 17/2558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: J.B. Beerens

Appellante noch haar gemachtigde, mr. M. Shabaan, advocaat, is – zoals bericht – verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Wintjes.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellante ontving sinds 13 augustus 2015 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip heeft het college op 26 mei 2016 een onderzoek doen starten naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Er is dossieronderzoek verricht, er zijn bankafschriften opgevraagd en appellante is op 18 oktober 2016 gehoord. Het college heeft vastgesteld dat appellante contante stortingen en bijschrijvingen van derden niet heeft gemeld. Bij besluit van 7 december 2016, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 april 2017 (bestreden besluit), heeft het college daarom de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 herzien en over die periode € 4.110,03 teruggevorderd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college er ten onrechte van heeft afgezien haar te horen alvorens op haar bezwaar te beslissen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat het college gebruik heeft gemaakt van de zogenoemde antwoordkaartmethode als bedoeld in artikel 7:3, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht en haar daartoe een antwoordformulier toegestuurd om te laten weten dat zij in bezwaar gehoord wilde worden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het formulier heeft teruggestuurd en dat het door het college is ontvangen. Ook anderszins heeft appellante niet laten weten dat zij gehoord wilde worden in bezwaar. Dit betekent dat het college terecht heeft afgezien van het horen van appellante.

Verder heeft appellante aangevoerd dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering. Appellante heeft aangevoerd dat deze dringende redenen zijn gelegen in dat zij een alleenstaande moeder is die zorgt voor haar pasgeboren zoon en vanwege een dreiging in de relationele sfeer geruime tijd op een geheim adres heeft verbleven. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3312) kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk moeten maken.

Het zijn van een alleenstaande moeder met de zorg voor een pasgeboren zoon is geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Dat appellante op een geheim adres moest verblijven heeft appellante op geen enkele manier onderbouwd en heeft zij dus niet aannemelijk gemaakt. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is dus niet gebleken.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) J.B. Beerens (getekend) O.L.H.W.I. Korte

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep.