Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:376

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
18-3459 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dienstongeval. Schadevergoeding. Onredelijk laat ingediend verzoek om herziening. Niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3459 AW

Datum uitspraak: 31 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 12 december 2013, 11/7133 AW

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (college)

PROCESVERLOOP

Bij brief van 8 juni 2018 heeft verzoeker verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 12 december 2013, 11/7133 AW, ECLI:NL:CRVB:2013:2809.

Namens het college heeft mr. R.D. Boesveld, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door G. Reuvers en G. Jaspers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Boesveld en A.J. Daenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker is in 1984 in dienst getreden bij één van de rechtsvoorgangers van de gemeente Twenterand, de gemeente Den Ham. Van medio 2002 tot 7 april 2005 was hij werkzaam als [naam functie] bij de gemeente Twenterand.

1.2.

Op 4 januari 2005 is verzoeker een ongeval overkomen met een [machine].

De toenmalige gemachtigde van verzoeker heeft het college bij brief van 26 februari 2009 verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade ten gevolge van dat ongeval. Bij besluit van 22 april 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 december 2009, heeft het college dit verzoek afgewezen. Bij uitspraak van 2 november 2011 heeft de rechtbank Almelo het beroep tegen het besluit van 1 december 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 22 april 2009 herroepen, vastgesteld dat het college aansprakelijk is voor de schade die verzoeker heeft geleden als gevolg van het ongeval op 4 januari 2005 en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

1.3.

Bij de uitspraak van 12 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2809, waarvan om herziening is verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 november 2011 vernietigd en het beroep tegen het besluit van 1 december 2009 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen, kort samengevat, dat wat betreft de door verzoeker beschreven toedracht van het voorval slechts gedeeltelijk bevestiging is verkregen en dat een oorzakelijk verband tussen het voorval en de later bij verzoeker opgetreden knieklachten niet is aangetoond. Daarbij is mede van belang geacht dat verzoeker geen medische stukken heeft overgelegd waaraan twijfel zou kunnen worden ontleend aan de rapporten van medisch adviseur A.S. van Stuijvenberg van 20 oktober 2009 en 13 december 2011. Geconcludeerd is dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden.

2. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening naar voren gebracht, kort samengevat, dat op basis van nadere dossierstudie moet worden geconcludeerd dat het onderzoek naar het ongeval onzorgvuldig is geweest, dat het college tijdens de (hoger)beroepsprocedure onjuiste stellingen heeft ingenomen en dat er aanleiding bestaat voor nader medisch specialistisch onderzoek naar het verband tussen het ongeval en de later opgetreden knieklachten. Verzoeker heeft bij zijn verzoekschrift een analyse gevoegd, waarin hij zijn visie geeft op de tijdens de procedure ingebrachte stukken en gedane verklaringen. Ter zitting van de Raad heeft verzoeker hieraan toegevoegd dat het ongeval ten onrechte niet is beoordeeld in de context van wat zich daarvoor en daarna heeft voorgedaan. Daarbij doelt hij op andere besluiten die ten aanzien van hem zijn genomen, waaronder een besluit tot het opleggen van voorwaardelijk strafontslag en de procedures die daarover zijn gevoerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) geldt dat van degene die herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek om herziening moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.3.

Een verzoek om herziening als hier aan de orde wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden dan wel, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld, na de openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.

3.4.

De hiervoor in 3.3 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Zo’n verzoek is niet aan de in 3.3 vermelde termijn van één jaar gebonden. Deze uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor.

3.5.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek een tiental conclusies ten grondslag gelegd die hij baseert op de onder 2 vermelde analyse. Die conclusies komen er in de kern op neer dat de uitspraak van 12 december 2013 berust op een onjuiste dan wel onzorgvuldige beoordeling door zowel het college als de rechtbank en de Raad van de vragen over de zorgplicht van het college en het causaal verband tussen het ongeval en de knieklachten van verzoeker. Dat betekent dat het verzoek wel nieuwe argumenten bevat, maar geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Nu het verzoek om herziening meer dan een jaar na openbaarmaking van de uitspraak van 12 december 2013 is ingediend, wordt het geacht onredelijk laat te zijn ingediend.

3.6.

Ter zitting van de Raad heeft verzoeker gesteld dat de aan het verzoek ten grondslag liggende gegevens wel degelijk nieuwe elementen bevatten. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij, nadat hij op de hoogte raakte van de gegevens op grond waarvan hij twijfelde aan de juistheid van de uitspraak van 12 december 2013, met zijn adviseurs met onderbrekingen twee à drie jaar heeft gewerkt aan de voorbereiding van het verzoekschrift. Dit leidt de Raad tot de slotsom dat verzoeker, voor zover in zijn verzoek nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb, zijn gesteld, na het bekend worden daarmee meer dan een jaar heeft gewacht met het indienen van een verzoek om herziening, zodat dit verzoek ook in dat geval geacht wordt onredelijk laat te zijn ingediend.

3.7.

Dat de nadere bestudering van het dossier, het voeren van diverse gesprekken en het verkrijgen van juridisch advies veel tijd hebben gevergd, zoals verzoeker naar voren heeft gebracht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarom zal het verzoek om herziening

niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2019.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) Y. Itkal

ew