Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
02-12-2019
Zaaknummer
18/273 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering naderhand verkregen middelen. Schadevergoeding gedeeltelijk vrijgelaten en gedeeltelijk in aanmerking genomen als middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 273 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 december 2017, 17/1015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland (college)

Datum uitspraak: 19 november 2019

Zitting heeft: J.J.A. Kooijman

Griffier: P.Y.M. Liu

Ter zitting zijn verschenen: Voor appellante is verschenen mr. E. Schriemer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Velema.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellante ontvangt sinds 6 april 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.1.

Appellante is op 6 december 2010 een verkeersongeval overkomen. De veroorzaker van het ongeval was verzekerd bij Delta Loyd Schadeverzekering N.V. (verzekeraar) die aansprakelijkheid heeft erkend en zich bereid heeft verklaard de door appellante geleden schade te vergoeden. Appellante en de verzekeraar zijn een schadebedrag van € 41.500,- tegen finale kwijting overeengekomen. Al voor de overeenkomst was aan appellante een voorschot van € 4.250,- uitbetaald. Op 9 september 2016 heeft appellante de slotbetaling van € 37.250,- ontvangen. Het bedrag van de schadevergoeding is als volgt gespecificeerd:

  1. € 11.500,- voor reeds gemaakte medische kosten en € 5.000,- voor medische kosten in de toekomst;

  2. € 11.500,- voor huishoudelijke hulp in de komende vijf jaar;

  3. € 3.500,- voor diverse huishoudelijke zaken, zoals het onderhoud van de tuin, in de komende vijf jaar;

  4. € 10.000,- smartengeld.

1.2.

Appellante heeft het college op 15 september 2015 gemeld dat zij de slotbetaling heeft ontvangen. Zij heeft het college verzocht de schadevergoeding volledig buiten beschouwing te laten en niet te verrekenen met de bijstand. Als het college zou menen dat een deel van het smartengeld wel voor verrekening met de bijstand in aanmerking komt, zou appellante willen uitgaan van het in de rechtspraak gebruikelijke percentage van 40%. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college appellante bericht dat het heeft geconstateerd dat een deel van de aan haar toegekende vergoeding voor vermogensschade is bestemd voor kosten in de toekomst en dat onduidelijk is of zij deze kosten ook daadwerkelijk zal gaan maken. Het college heeft appellante in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat zij deze kosten daadwerkelijk zal gaan maken. Appellante heeft het college vervolgens een bestedingsplan letselzorg toegezonden.

1.3.

In verband met de toekenning van de schadevergoeding heeft het college bij besluit van 10 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2017 (bestreden besluit), met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW, de over de periode vanaf 6 december 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.662,87 van appellante teruggevorderd. Het college heeft daarbij een deel van de ontvangen schadevergoeding aangemerkt als naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend in aanmerking te nemen als middelen van appellante. Het gaat om een bedrag van € 15.275,-. Het college heeft met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW een bedrag van € 26.225,- niet tot de middelen van appellante gerekend en deze vrijlating als volgt gemotiveerd.

  1. De vergoeding voor reeds gemaakte medische kosten en medische kosten in de toekomst ter hoogte van in totaal € 16.500,- heeft het college in zijn geheel vrijgelaten, omdat appellante die kosten aannemelijk heeft gemaakt.

  2. De vergoeding voor de kosten voor huishoudelijke hulp in de komende vijf jaar heeft het college slechts gedeeltelijk vrijgelaten. Het college wijst erop dat appellante na het ongeval geen kosten voor huishoudelijke hulp heeft gemaakt omdat haar inwonende kinderen de huishoudelijke taken deels van haar hebben overgenomen en dat de huishoudelijke taken over de hele week kunnen worden verdeeld. Voorts bestaat de mogelijkheid om de kosten van huishoudelijke hulp vergoed te krijgen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO), een aan de PW voorliggende voorziening. Daarom heeft het college de kosten voor huishoudelijke hulp slechts vrij gelaten tot het bedrag van de (mogelijke) eigen bijdrage die appellante de komende vijf jaar op grond van de WMO moet betalen. Dat bedrag heeft het college vastgesteld op € 1.625,-. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten voor huishoudelijke hulp in de komende vijf jaar hoger zullen zijn.

  3. De vergoeding voor diverse huishoudelijke zaken, zoals het onderhoud van de tuin, in de komende vijf jaar heeft het college voor 60% (dat wil zeggen: tot een bedrag van € 2.100,-) vrijgelaten. Weliswaar heeft appellante in het verleden daarvoor geen kosten gemaakt, maar het is niet uitgesloten dat zij deze kosten ook in de toekomst niet zal hebben.

  4. Het smartengeld heeft het college voor 60% (dat wil zeggen: tot een bedrag van € 6.000,-) vrijgelaten. Het college wijst erop dat een dergelijke vrijstelling in overeenstemming is met vaste rechtspraak van de Raad en noemt als voorbeeld de uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5677. Verder heeft het college erop gewezen dat het rekening heeft gehouden met de wens van appellante. Als het college zou menen dat een deel van het smartengeld wel voor verrekening met de bijstand in aanmerking komt, zou appellante immers willen uitgaan van het volgens haar in de rechtspraak gebruikelijke percentage van 40%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de door appellante ontvangen schadevergoeding moet worden gerekend tot de middelen van appellante.

3.2.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de PW worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend vergoedingen voor materiële en immateriële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

3.3.

Uit artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW blijkt dat het aan het bijstandverlenend orgaan is om de grenzen te bepalen van wat uit het oogpunt van bijstandsverlening nog wel en wat niet verantwoord is. Daarbij moet het bijstandverlenend orgaan rekening houden met de omstandigheid dat bij zeer aanzienlijke uitkeringen de betrokkene in een zodanige financiële positie kan komen te verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten daarvan niet in overeenstemming is met het minimumbehoefte- en complementaire karakter van de bijstand. Vergelijk de uitspraak van 25 november 2014, ECL:NL:CRVB:2014:3892.

3.4.

Gelet op wat in 3.3 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de rechter met betrekking tot de keuze die het college heeft gemaakt slechts een terughoudende toets kan verrichten. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft de rechtbank hiermee niet miskend dat het college bij zijn besluit niet in strijd mag handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.5.

Appellante heeft voorts betoogd dat zij bij de onderhandelingen over de schadevergoeding is bijgestaan door een advocaat die is gespecialiseerd op het gebied van de letselschade en dat zij inzicht heeft verschaft in de onderbouwing van de toegekende bedragen en in het verloop van de onderhandelingen. De door de verzekeraar toegekende vergoeding is daarom uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord. Het college had daarom niet zonder zelf een deskundige te raadplegen, de schadevergoeding gedeeltelijk tot de middelen van appellante mogen rekenen. Dit betoog slaagt niet. Gelet op wat in 3.3 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college een eigen toets hanteert.

3.6.1.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij in het verleden daadwerkelijk kosten voor huishoudelijke hulp en voor tuinonderhoud heeft moeten maken en dat zij dergelijke kosten ook in de toekomst zal hebben. Het college had ervoor kunnen kiezen de vergoeding voor die kosten in de toekomst in het geheel niet tot haar middelen te rekenen en haar periodiek verantwoording te laten afleggen over de besteding van de schadevergoeding voor die kosten. Appellante heeft verder betoogd dat nog niet eens is vastgesteld dat zij bij een aanvraag om vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp in het kader van de WMO daar wel recht op zou hebben. Het college mag er daarom niet van uitgaan dat voor de kosten van huishoudelijke hulp in de toekomst sprake is van een voorliggende voorziening, namelijk de WMO.

3.6.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Met toepassing van de in 3.3 besproken wijze van toetsing komt de Raad tot het oordeel dat geen grond bestaat om het standpunt van het college over het vrij te laten deel van de ontvangen schadevergoeding voor kosten van huishoudelijke hulp en tuinonderhoud in de komende vijf jaar voor onjuist te houden. De hiervoor in 1.3 onder b) en c) genoemde motivering van het college is voldoende dragend. Dat appellante, zoals zij stelt, in het verleden daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor huishoudelijke hulp en voor tuinonderhoud heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Appellante is voorts in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat zij deze kosten in de toekomst wel daadwerkelijk zal gaan maken. Appellante is er niet geslaagd aannemelijk te maken dat zij als gevolg van het haar overkomen ongeval in de toekomst meer kosten voor huishoudelijke hulp en tuinonderhoud zal hebben dan waarvan het college is uitgegaan. Het college heeft terecht opgemerkt dat voor de kosten van huishoudelijke hulp in toekomst een vergoeding kan worden gevraagd op grond van de WMO, zodat met uitzondering van de mogelijk in dat kader te betalen eigen bijdrage de schadevergoeding voor die kosten tot de middelen van appellante kunnen worden gerekend.

3.7.

De Raad ziet evenmin aanknopingspunten om, uitgaande van de onder 3.3 besproken wijze van toetsing, het standpunt van het college om 60% (dat wil zeggen € 6.000,-) van het smartengeld vrij te laten voor onjuist te houden. Van belang is in dit verband dat het bedrag van het smartengeld aanzienlijk is en dat, zoals in 1.3 onder d) naar voren kwam, rekening is gehouden met de wens van appellante. Hieraan staat niet in de weg dat het standpunt van het college dat volgens vaste rechtspraak van de Raad 60% van het smartengeld wordt vrijgelaten niet juist is. In de door het college genoemde uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5677 was een vrijlatingspercentage van 60% niet aan de orde. Uit de uitspraak kan slechts worden afgeleid dat het bijstandverlenend orgaan zich in die zaak in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen om eenderde deel van het smartengeld vrij te laten. Appellante is door het onjuiste standpunt van het college zeker niet tekort gedaan.

3.8.

Uit 3.1 tot en met 3.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd te ondertekenen (getekend) J.J.A. Kooijman