Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2019
Datum publicatie
02-12-2019
Zaaknummer
17/5285 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:4545, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangezien de dienstbetrekking waaruit appellant ziek is geworden is aangevangen na afloop van de referteperiode, volgt dat het dagloon moet worden berekend met inachtneming van artikel 12e, vijfde lid, van het Dagloonbesluit en moet worden gebaseerd op het in de periode van 1 augustus 2015 tot de ziekmelding per 8 september 2015 bij werkgeefster 1 genoten loon. Het hoger beroep slaagt. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Het Uwv moet een nieuwe beslissing op het bezwaar over het ZW-dagloon nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2019-0056
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5285 ZW

Datum uitspraak: 20 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 juni 2017, 16/6256 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord.

Appellant heeft een reactie ingezonden.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 18 september 2014 op basis van een 0-urencontract werkzaam bij [werkgeefster 1] (werkgeefster 1). Daarnaast heeft hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 juli 2015 via [BV] , nu [werkgeefster 2] geheten (werkgeefster 2), werkzaamheden voor werkgeefster 1 verricht. Per 1 augustus 2015 is het 0-urencontract met werkgeefster 1 omgezet in een voltijds contract voor de bepaalde tijd van een jaar.

1.2.

Appellant is met ingang van 8 september 2015 ziek gemeld. Bij besluit van

4 augustus 2016 heeft het Uwv appellant na het einde van zijn dienstverband met werkgeefster 1, met ingang van 1 augustus 2016, in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 48,82. Het Uwv is bij de berekening van het dagloon uitgegaan van het loon dat appellant in het refertejaar bij werkgeefster 1 heeft genoten. Het loon dat appellant bij werkgeefster 2 heeft genoten heeft het Uwv niet meegenomen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat hij van mening was dat het dagloon hierdoor te laag is vastgesteld.

1.3.

Bij besluit van 24 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de dienstbetrekkingen van appellant bij werkgeefster 1 en werkgeefster 2 niet als één inkomstenverhouding in de zin van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) kunnen worden aangemerkt, omdat het gaat om twee werkgevers, met twee verschillende loonheffingsnummers en de dienstbetrekkingen in de loonaangifte niet als één inkomstenverhouding zijn aangemerkt. Het beroep van appellant op artikel 12e, zevende lid, van het Dagloonbesluit slaagt niet omdat geen sprake is van nul dagloondagen in de referteperiode. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat de berekening van het dagloon door het Uwv op basis van de gegevens in de polisadministratie voor onjuist moet worden gehouden.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden die hij voor werkgeefster 1, al dan niet met tussenkomst van werkgeefster 2, heeft verricht moeten worden aangemerkt als één inkomstenverhouding in de zin van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit. Dat betekent volgens appellant dat bij de dagloonvaststelling niet alleen het bij werkgeefster 1 in de referteperiode genoten loon moet worden betrokken, maar ook het bij werkgeefster 2 genoten loon. Subsidiair heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat vanaf 1 augustus 2015 sprake is van een nieuw dienstverband bij werkgeefster 1 en dat het dagloon moet worden gebaseerd op het in dit dienstverband genoten loon.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In de brief van 22 mei 2019 heeft het Uwv naar aanleiding van vragen van de Raad nader uiteengezet dat bij appellant sprake is geweest van een doorlopende dienstbetrekking bij werkgeefster 1 vanaf

18 september 2014 en dat werkgeefster 1 ten onrechte een nieuwe dienstbetrekking heeft aangemeld per 1 augustus 2015, omdat de functie, het loon en de werkzaamheden van appellant hetzelfde zijn gebleven. Het Uwv acht artikel 12e, vijfde lid, van het Dagloonbesluit daarom niet van toepassing.

3.3.

In zijn reactie op de brief van het Uwv heeft appellant herhaald dat met ingang van 1 augustus 2015 sprake is van een nieuwe dienstbetrekking. Volgens appellant moet het dagloon met toepassing van artikel 12e, vijfde lid, van het Dagloonbesluit berekend worden op basis van het voltijdse loon dat hij heeft genoten in de dienstbetrekking die op

1 augustus 2015 is aangevangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de ZW wordt voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij door ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

4.1.2.

Op grond van artikel 15, tweede lid, van de ZW worden bij algemene maatregel van bestuur, onder meer wanneer de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

4.1.3.

Deze regels zijn gesteld bij het Dagloonbesluit. Van toepassing is het Dagloonbesluit, zoals dat luidde met ingang van 1 januari 2016 (Stb. 2015, 533).

4.1.4.

Op grond van artikel 12c, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt, voor zover hier van belang, onder loon voor de vaststelling van het dagloon in het kader van de ZW verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in de referteperiode uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden.

4.1.5.

Op grond van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit wordt onder loon tevens verstaan de som van het loon, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de werknemer bij één werkgever als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW), meer elkaar opvolgende dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 7:691 van het BW, heeft gehad en deze dienstbetrekkingen in de loonaangifte vanaf de aanvang van de eerste dienstbetrekking worden aangemerkt als één inkomstenverhouding.

4.1.6.

Op grond van artikel 12e, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, is het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW de uitkomst van de volgende berekening:

[(A-B) x 108/100 + C] / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

D staat voor 261, dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden, is aangevangen na aanvang maar voor het einde van de referteperiode, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

4.1.7.

Op grond van artikel 12e, vijfde lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, staat, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden, is aangevangen na afloop van de referteperiode, in afwijking van het eerste lid, D voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop de ziekte is ingetreden.

4.2.

Niet in geschil is dat, uitgaande van de ziekmelding van appellant per 8 september 2015, het refertejaar voor de berekening van het dagloon loopt van 1 augustus 2014 tot en met

31 juli 2015. Het geschil spitst zich primair toe op de vraag of het Uwv bij de bepaling van het loon in het refertejaar, onder toepassing van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit, naast het door werkgeefster 1 betaalde loon ook het door werkgeefster 2 betaalde loon in aanmerking had moeten nemen. Subsidiair spitst het geschil zich toe op de vraag of vanaf 1 augustus 2015 sprake is geweest van een nieuw dienstverband bij werkgeefster 1, dat afzonderlijk moet worden beschouwd en aanleiding vormt om de bijzondere dagloonberekening van artikel 12e, vijfde lid, van het Dagloonbesluit toe te passen.

4.3.

Reeds op de grond dat werkgeefster 1 geen werkgever is als bedoeld in artikel 7:690 van het BW mist artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit hier toepassing. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het beroep van appellant op artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit niet slaagt.

4.4.

Het Uwv heeft zich met betrekking tot de subsidiaire grond van appellant op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden die appellant vanaf 18 september 2014 tot aan zijn ziekmelding heeft verricht voor werkgeefster 1 zijn verricht binnen een en dezelfde dienstbetrekking. Volgens het Uwv is op 1 augustus 2015 geen nieuwe dienstbetrekking ontstaan. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Uit de akte van aanstelling van 25 augustus 2015 blijkt dat werkgeefster 1 met appellant met ingang van 1 augustus 2015 een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan in de functie van leerkracht basisonderwijs met een werktijdfactor van 1,0000. In de periode voorafgaande aan 1 augustus 2015 was sprake van een andere relatie tussen appellant en werkgeefster 1. Er was toen sprake van een 0-urencontract met werkgeefster 1. Hieruit volgt dat appellant ziek is geworden uit zijn op

1 augustus 2015 aangevangen dienstbetrekking met werkgeefster 1.

4.5.

Aangezien de dienstbetrekking waaruit appellant ziek is geworden is aangevangen na afloop van de referteperiode, volgt uit 4.1.1 tot en met 4.4 dat het dagloon moet worden berekend met inachtneming van artikel 12e, vijfde lid, van het Dagloonbesluit en moet worden gebaseerd op het in de periode van 1 augustus 2015 tot de ziekmelding per 8 september 2015 bij werkgeefster 1 genoten loon. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, evenals het bestreden besluit. Het Uwv moet een nieuwe beslissing op het bezwaar over het ZW-dagloon nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.280,- in beroep en € 768,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.048,-. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in bezwaar is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 augustus 2016;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) P. Boer

OS