Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
17/6630 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen over de mogelijkheden en beperkingen van appellante per 4 maart 2016 wordt volledig onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht die aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel. Volstaan wordt daarom te verwijzen naar hetgeen de rechtbank wat dat betreft heeft vastgesteld en overwogen. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht voor appellante geschikt. Uit de beschrijving van de gang van zaken volgt enerzijds dat het appellante duidelijk is gemaakt dat de geplande operatie op 22 maart 2016 voor het Uwv bepalend was voor het besluit om haar met ingang van 4 maart 2016 volledig arbeidsongeschikt te achten en anderzijds dat het haar ook redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij haar beslissing om de ingreep geen doorgang te laten vinden onverwijld aan het Uwv had moeten melden. Schending inlichtingenplicht. Uwv diende de WIA-uitkering met terugwerkende kracht te herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2019-0055
USZ 2019/340
RSV 2020/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6630 WIA, 17/6631 WIA

Datum uitspraak: 21 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
14 september 2017, 16/2494 en 16/3744 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Appellante is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door Van Baarlen en mr. J.B.E. Paashuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verzorgende IG voor 24 uur per week. Op 13 november 2013 heeft appellante zich ziek gemeld met bekkenklachten. Na bevallingsverlof heeft zij zich op 20 juli 2014 opnieuw ziek gemeld. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden en is geconcludeerd dat appellante in verband met een aanstaande operatie op 22 maart 2016 en een langdurige revalidatie aan het einde van de wachttijd volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Bij besluit van
14 januari 2016 heeft het Uwv appellante met ingang van 4 maart 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat zij met ingang van die datum 100% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en gesteld dat zij in aanmerking behoorde te komen voor een IVA-uitkering. Tijdens de hoorzitting op 9 maart 2016 is gebleken dat appellante had afgezien van de op 22 maart 2016 geplande operatie. Het Uwv heeft daarom alsnog de belastbaarheid van appellante per einde wachttijd (3 maart 2016) in kaart gebracht. In dat verband heeft opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft daarbij vastgesteld dat zware bekkenbelastende werkzaamheden vermeden moeten worden, maar dat appellante belastbaar kan worden geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 april 2016 (geldend vanaf 3 maart 2016). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen een mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld van 17,65%. Het Uwv heeft deze bevindingen aan appellante voorgelegd. Appellante heeft daar op gereageerd en heeft bezwaren aangevoerd tegen zowel de verzekeringsgeneeskundige conclusies als tegen de haar voorgehouden functies.

1.3.

Appellante is vervolgens gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft de voor appellante opgestelde FML in stand gelaten. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van die FML onderzoek verricht naar voor appellante geschikte functies. In verband met diploma-eisen heeft deze een aantal functies laten vervallen. Met inachtneming van de resterende functies is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 19,79%. Bij beslissing op bezwaar van 12 juli 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het besluit van 14 januari 2016 herzien, in die zin dat appellante per 4 maart 2016 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

1.4.

Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft het Uwv de te veel betaalde WIA-uitkering over de periode van 4 maart 2016 tot 1 augustus 2016 teruggevorderd. Het gaat daarbij om een bedrag van € 5.652,03. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 augustus 2016. Bij beslissing op bezwaar van 9 november 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 en 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank

– voor zover in hoger beroep van belang – overwogen dat de toekenning van de

WGA-uitkering is gestoeld op de op 22 maart 2016 geplande operatie waardoor appellante per

4 maart 2016 duurzaam geen benutbare mogelijkheden had. De rechtbank is van oordeel dat appellante dit had kunnen weten. Het had haar dan ook redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat het uitstellen van die ingreep gevolgen kon hebben voor haar recht op uitkering. De mededeling dat zij van die operatie afzag, heeft zij niet zo spoedig mogelijk gedaan, zoals artikel 27 van de Wet WIA voorschrijft, maar pas zo’n twee weken na de door haar genomen beslissing, die in elk geval al op 24 februari 2016 vaststond. Gelet op de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregel) was het Uwv in beginsel verplicht om de uitkering per ingangsdatum

4 maart 2016 te herzien, omdat het appellante redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat haar ten onrechte een uitkering was verstrekt.

2.2.

Ten aanzien van de medische herbeoordeling per 4 maart 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarin de beschikbare medische informatie ten aanzien van appellante is betrokken, zorgvuldig is geweest. Verder heeft de rechtbank overwogen dat door appellante geen medische informatie is overgelegd waarmee twijfel is gewekt over de belastbaarheid op de datum in geding en dat er ook geen reden is om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de FML zijn neergelegd. De rechtbank zag evenmin aanleiding om de visie van de arbeidsdeskundige in twijfel te trekken. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv verplicht is de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen omdat de uitkering over de periode 4 maart 2016 tot 1 augustus 2016 ten onrechte is uitbetaald. Van dringende redenen op grond waarvan daarvan had moeten worden afgezien, is de rechtbank niet gebleken.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat haar niet duidelijk was aan welke verplichtingen zij moest voldoen. Appellante acht dat in strijd met het lex certa-beginsel. Bovendien heeft zij de juiste informatie verstrekt door op 12 januari 2016 de geplande operatie te melden en vervolgens tijdens de hoorzitting van 9 maart 2016 het uitstel van de operatie door te geven. Appellante is van mening dat het Uwv niet ondubbelzinnig en schriftelijk aan haar kenbaar heeft gemaakt welke feiten zij spontaan moest melden en welke negatieve gevolgen er zouden zijn bij het nalaten daarvan. De rechtbank heeft vervolgens ten onrechte overwogen dat de wettelijke grondslag van het bestreden besluit duidelijk was.

3.2.

Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn. Volgens prof. dr. A.B. van Vugt is zij uitbehandeld en was er slechts de mogelijkheid van een met onzekerheden omgeven risicovolle operatie, waarvan het eindresultaat pas na twee jaren kan worden bepaald. Theoretische mogelijkheden op een succesvolle uitkomst van een geplande operatie vertegenwoordigen bovendien geen reële mogelijkheid tot verbetering van de arbeidsmogelijkheden (zie de uitspraak van de Raad van 22 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3265). Voor zover wordt toegekomen aan de herbeoordeling van het Uwv is appellante van mening dat zowel de medische als de arbeidskundige beoordeling van het Uwv niet in stand kan blijven. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een uitdraai van het huisartsenjournaal en informatie over bekkeninstabiliteit overgelegd.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA moet een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie verstrekken, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of betaling daarvan.

4.2.

In artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA is onder meer bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2342) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dit beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij wel de juiste feiten had gekend.

4.4.

In artikel 3 van de Beleidsregel is bepaald tot en met welke dag intrekking of herziening van de uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde, als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting, ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

4.5.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen over de mogelijkheden en beperkingen van appellante per 4 maart 2016 wordt volledig onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht die aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel. Volstaan wordt daarom te verwijzen naar hetgeen de rechtbank wat dat betreft heeft vastgesteld en overwogen. Dat betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante aan het einde van de wachttijd, per

4 maart 2016, minder dan 35% was en dat zij om die reden geen recht had op een

WIA-uitkering.

4.6.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.7.

Vervolgens is dan de vraag aan de orde of het Uwv de WIA-uitkering met terugwerkende kracht mocht herzien. In de Beleidsregel staat de inlichtingenplicht van een verzekerde centraal. Anders dan door de gemachtigde van appellante wordt gesteld, gaat het bij de inlichtingenplicht om een zelfstandige verplichting die niet nader wordt beperkt of ingevuld door het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten of daarop berustende bepalingen onder de voorwaarden zoals door appellante is betoogd. Voor zover de gemachtigde van appellante met de verwijzing naar het lex certa-beginsel heeft beoogd een beroep te doen op de beschermende werking van de rechtszekerheid geldt daarvoor enerzijds dat het Uwv daaraan een uitwerking heeft gegeven in de Beleidsregel en anderzijds de hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak van de Raad inzake het met terugwerkende kracht intrekken of herzien van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

4.8.

Voor de vraag hoe ver de inlichtingenplicht van appellante strekte en wat appellante in dat verband redelijkerwijs duidelijk kon zijn, is van belang wat in de betreffende periode is voorgevallen en wat tussen partijen in de betreffende periode is toegelicht en besproken.

4.8.1.

Appellante is in verband met haar WIA-aanvraag op 10 december 2015 op het spreekuur bij de verzekeringsarts geweest. Tijdens dat spreekuur is de aanstaande operatie met de verzekeringsarts besproken. Daarbij heeft appellante te kennen gegeven dat zij over die operatie nog twijfelde en dat zij in januari 2016 terug moest komen bij de behandelaar. De verzekeringsarts van het Uwv heeft zijn rapport toen nog niet afgerond en nog geen FML opgesteld in afwachting van de beslissing van appellante.

4.8.2.

Op 12 januari 2016 heeft de verzekeringsarts vervolgens telefonisch contact met appellante opgenomen. In dat gesprek heeft appellante te kennen gegeven dat ze had besloten de ingreep uit te laten voeren en dat deze op 22 maart 2016 zou plaatsvinden. De verzekeringsarts heeft vervolgens in het rapport van 12 januari 2016 (bij onderdeel 4.1 Overwegingen en functionele mogelijkheden) vermeld: “Gezien de geplande operatie en het uitgebreide revalidatietraject nadien is er per einde wachttijd geen sprake van een duurzame belastbaarheid. Cliënt dient daarom per einde wachttijd volledig arbeidsongeschikt te worden beschouwd.” Daarbij is tevens de datum van 22 maart genoemd. Bij de conclusie in dat rapport (onderdeel 5) is vervolgens nogmaals vermeld: “Er is gezien de geplande operatie en de revalidatieperiode nadien geen sprake is van duurzame belastbaarheid.”

4.8.3.

Twee dagen na het telefoongesprek, op 14 januari 2016, heeft het Uwv het besluit genomen waarbij appellante per 4 maart 2016 een WIA-uitkering is toegekend, gebaseerd op een volledige arbeidsongeschiktheid. Als bijlage bij dat besluit is het rapport van de verzekeringsarts met hiervoor aangehaalde conclusies gevoegd. In het besluit zelf is nog uitdrukkelijk gewezen op de plicht van appellante om wijzigingen in haar situatie door te geven.

4.8.4.

In de periode na het gesprek met de verzekeringsarts heeft appellante zich na een gesprek met haar huisarts bedacht en heeft zij besloten de operatie van 22 maart 2016 geen doorgang te laten vinden. In het kader van het door haar gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 januari 2016 heeft zij dat, ter voorbereiding van de pleitnota van haar gemachtigde voor de hoorzitting, op 24 februari 2016 in een e-mail aan een medewerker van haar gemachtigde laten weten. Die mededeling is vervolgens ook in de pleitnota verwerkt, hetgeen aanleiding voor het Uwv is geweest om terug te komen van de eerdere besluitvorming op de wijze als beschreven onder 1.2 tot en met 1.4.

4.9.

Uit deze beschrijving van de gang van zaken volgt enerzijds dat het appellante duidelijk is gemaakt dat de geplande operatie op 22 maart 2016 voor het Uwv bepalend was voor het besluit om haar met ingang van 4 maart 2016 volledig arbeidsongeschikt te achten en anderzijds dat het haar ook redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij haar beslissing om de ingreep geen doorgang te laten vinden onverwijld aan het Uwv had moeten melden.

4.10.

Aangezien appellante, in ieder geval, uiterlijk op 24 februari 2016 dat besluit had genomen en dat ook per e-mail aan haar gemachtigde had laten weten, had zij dat in die periode, maar in ieder geval tijdig, voor 4 maart 2016, aan het Uwv kunnen en moeten laten weten. Aangezien appellante dit echter pas op 9 maart 2016 tijdens de hoorzitting heeft gemeld, wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de inlichtingenplicht uit artikel 27 van de Wet WIA is geschonden. De daarop gerichte gronden van appellante slagen daarom niet.

4.11.

Op grond van wat onder 4.1 tot en met 4.10 is overwogen diende het Uwv de WIA-uitkering van appellante met terugwerkende kracht in te trekken.

4.12.

Tegen de terugvordering van de te veel betaalde uitkering over de periode 4 maart 2016 tot 1 augustus 2016 heeft appellante in hoger beroep geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden volledig onderschreven.

4.13.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2019.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS