Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
17/7483 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek om schadevergoeding voor zover dit meer is dan vergoeding van de wettelijke rente. Geen plaats voor aanvullende vergoeding van proceskosten. Het verzoek om appellant met rust te laten voor wat betreft de arbeidsverplichting slaagt niet. Appellant is niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/88
USZ 2019/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7483 WWB, 18/4337 WWB

Datum uitspraak: 15 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Helmond van 3 oktober 2017 (bestreden besluit) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Bij brief van 4 juli 2018 hebben appellanten een verzoek ingediend om veroordeling van het college tot vergoeding van schade.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2018. Appellanten zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B.L. Krahmer.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad heeft bij uitspraak van 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4785, voor zover hier van belang, het college opdracht gegeven een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2014, waarbij het college de door appellanten ingediende aanvraag om bijstand van 18 november 2013 had afgewezen. De Raad heeft bepaald dat tegen dat nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

1.2.

Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van 13 december 2016 het betreden besluit genomen. Bij het bestreden besluit heeft het college aan appellanten alsnog bijstand toegekend over de periode van 18 november 2013 tot 3 juni 2014. Het college heeft bovendien aangekondigd dat appellanten wettelijke rente wordt toegekend over de uit te betalen bijstand. Die wettelijke rente heeft het college bij besluit van 13 februari 2018 toegekend tot een bedrag van € 985,19.

2. In beroep hebben appellanten zich tegen het bestreden besluit gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting behoeven de door appellanten in beroep aangevoerde gronden tegen het bestreden besluit geen bespreking meer. Het beroep tegen het bestreden besluit zal daarom ongegrond worden verklaard. Appellanten willen alleen nog een uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade. Dit betreft schade die het gevolg is van het besluit van 17 januari 2014 tot afwijzing van de aanvraag om bijstand. Het verzoek ziet op kosten die zijn ontstaan omdat appellanten niet aan hun verplichtingen konden voldoen omdat zij verstoken waren van bijstand (incassokosten), om een bedrag van € 500,- aan kosten in verband met door appellanten gevoerde juridische procedures en om schade die verband houdt met het feit dat appellant als gevolg van het besluit van 17 januari 2014 ziek is geworden.

3.2.

Op grond van artikel 4:102, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, is het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling. Het college heeft bij het bestreden besluit het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijstand vervangen door een besluit waarbij alsnog bijstand is toegekend. Dit betekent dat het college wettelijke rente verschuldigd is. Uit artikel 4:98 van de Awb volgt dat dit de wettelijke rente overeenkomstig artikel 6:119,

eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is. Artikel 6:119, eerste lid, van het BW bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Niet in geschil is dat dit het onder 1.2 genoemde bedrag is en dat het college dit heeft betaald aan appellanten. Met de vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade, ontstaan door vertraging in de voldoening van een geldsom, te zijn voldaan. De strekking van deze bepaling brengt mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente (zie bijvoorbeeld het arrest van

14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220). Dit betekent dat de als gevolg van de vertraagde uitbetaling van de bijstand ontstane schulden en de daarmee verband houdende incassokosten, voor zover appellanten die vorderen boven de toegekende schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente, niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Het verzoek moet dus in zoverre worden afgewezen.

3.3.

Ook de door appellanten gevorderde kosten voor het voeren van procedures komen niet voor vergoeding in aanmerking. De regeling voor de vergoeding van proceskosten in de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht kent een exclusief, forfaitair en limitatief karakter. Dat brengt volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3453) mee dat geen plaats is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade. Voor zover appellanten civielrechtelijke procedures hebben gevoerd, is dat niet anders. Ook de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bevatten een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld (zie bijvoorbeeld het arrest van 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366).

3.4.

Appellanten hebben tot slot verzocht het college te veroordelen om appellant met rust te laten wat betreft de arbeidsverplichtingen. Zij stellen daartoe dat appellant ziek is geworden als gevolg van de vertraagde uitbetaling van de bijstand en als gevolg van de problemen die dat met zich bracht. Appellant kan daardoor niet meer werken. Hij wil ruimte hebben om een boek te kunnen schrijven. Hij ziet daarmee een manier om uit de bijstand te geraken.

3.5.

Appellanten verzoeken in zoverre om een schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 6:103 van het BW. Het verzoek zal ook in zoverre worden afgewezen. Gelet op de aard van de schade, namelijk de vertraagde betaling van een geldsom, is de door appellanten beoogde vorm van schadevergoeding hier niet passend en geboden. Een veroordeling van het college om appellant met rust te laten zou de systematiek van de Participatiewet (PW) doorbreken en het college in strijd met de PW dwingen tot het geheel en definitief nalaten van handelingen die gericht zijn op re-integratie van appellant. Immers, volgens die systematiek gaat het recht op bijstand, tenzij, voor zover hier van belang, de belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, gepaard gaat met verplichtingen, waaronder die van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de PW. Van laatstgenoemde verplichtingen kan gelet op artikel 9, tweede lid, van de PW slechts een tijdelijke ontheffing worden verleend indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Dat appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, is voorts niet gebleken.

3.6.

Uit 3.2 tot hen met 3.5 volgt dat het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2017 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J. Smolders

md