Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
17/8020 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

I

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8020 WIA

Datum uitspraak: 7 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 november 2017, 17/2445 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. Voor appellant is

mr. Gümüs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 8 mei 2012 een loongerelateerde WGA‑uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 18 november 2016 vastgesteld dat appellant met ingang van 19 januari 2017 (de datum in geding) geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 april 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 31 maart 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 12 april 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat alle door appellant naar voren gebrachte klachten op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken zijn bij de medische beoordeling. Dat geldt ook voor de eigen bevindingen van de verzekeringsartsen uit lichamelijk onderzoek en de in het dossier aanwezige medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om medische informatie op te vragen bij de huisarts. Deze informatie, alsook de door de huisarts bijgevoegde informatie van de neuroloog, is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beoordeling betrokken. De belastbaarheid op de datum in geding is in de medische rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beoordeling gebaseerd op de aanwezige medische gegevens. Door hem is toegelicht dat niet alle klachten van appellant of de mate daarvan rechtstreeks en objectiveerbaar kunnen worden verklaard vanuit ziekte of gebrek. Voor de medische klachten die wel vanuit de onderzoeksbevindingen en de medische informatie konden worden verklaard zijn in de FML beperkingen aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 5 juli 2017 vermeld dat de doorverwijzingen naar verschillende specialisten, het aanvragen van paramedische hulp/hulpmiddelen en de gestarte behandeling voor de psychische klachten dateren van na de datum in geding. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin gevolgd. Appellant is daarom op de datum in geding in staat te achten arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid zoals verwoord in de FML.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, mede onder verwijzing naar gegevens afkomstig van de behandelend sector, aangevoerd dat zijn beperkingen onvoldoende in aanmerking zijn genomen. De herniaoperatie in 2013 heeft weinig resultaat gehad, zijn rugklachten zijn in november 2016 verergerd met uitstraling naar het linkerbeen en de behandeling bij de pijnpoli heeft geen baat gehad. Ook zijn er toegenomen klachten aan de rechterhand door een peesverkorting in november 2016. Ten onrechte is de conclusie getrokken dat niet alle klachten van appellant rechtstreeks en objectiveerbaar kunnen worden verklaard vanuit ziekte of gebrek.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 januari 2018, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant met ingang van 19 januari 2017 heeft beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daar voegt de Raad aan toe dat de medische gegevens die appellant in hoger beroep heeft ingebracht, voor zover zij niet reeds bij de rechtbank bekend waren, niet op de datum in geding betrekking hebben, maar op een periode ruim nadien.

4.3.

Het Uwv heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) E.D. de Jong

VC