Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
17/6887 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I terecht niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit II heeft het Uwv het bestreden besluit I niet langer gehandhaafd. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat op grond van de gegevens geen medische grondslag aanwezig is voor verdergaande beperkingen dan vastgesteld in de FML van 10 mei 2017. Het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6887 WIA

Datum uitspraak: 7 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

10 oktober 2017, 16/4869 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roozemond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Sjoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft laatstelijk gewerkt als autopoetser voor ongeveer 38 uur per week. Op 16 september 2014 heeft appellant zich, terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld vanwege fysieke en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 juli 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 22 augustus 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 13 september 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 20 oktober 2016 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2016 niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Bij besluit van 31 januari 2017 (het bestreden besluit II) heeft het Uwv het bestreden besluit I gewijzigd, waarbij het bezwaar van appellant alsnog ongegrond is verklaard. Aan het bestreden besluit II liggen rapporten van 18 januari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep met bijbehorende FML en van 27 januari 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van het Uwv tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I omdat dit besluit is ingetrokken en het beroep van appellant, gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de orde komt bij de beoordeling van het bestreden besluit II.

2.2.

Het beroep tegen het bestreden besluit II heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen gronden heeft aangevoerd tegen de wijze waarop het medisch onderzoek is verricht en de rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan de zorgvuldigheid van het onderzoek te twijfelen. De door appellant in bezwaar aangeleverde medische informatie is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken in de beoordeling van 18 januari 2017. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek dat appellant aanvullend in het geding heeft gebracht in het rapport van 10 mei 2017 betrokken. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 10 mei 2017 toegelicht waarom hij op basis van de nadere informatie aanleiding heeft gezien om aanvullend een beperking voor werken in de avond en nacht aan te nemen. Dit heeft hij vastgelegd in de FML van 10 mei 2017. Omdat appellant in beroep geen andere medische informatie heeft overgelegd, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden op basis waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door appellant aangeleverde informatie van arbeidsdeskundige Brons, werkzaam als trajectbegeleider bij de gemeente Amersfoort, waarin staat dat appellant is aangewezen op jobcoaching, leidt niet tot die twijfel, omdat het geen informatie is van een arts en de verzekeringsartsen in de beschikbare medische informatie en op basis van hun eigen onderzoek voor appellant begeleiding in welke vorm dan ook niet noodzakelijk hebben geacht. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, in beroep onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Voor het inschakelen van een deskundige heeft de rechtbank dan ook geen aanleiding gezien. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat appellant voldoende in de gelegenheid is geweest om medische informatie aan te leveren, en dit ook heeft gedaan. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant in de FML van 10 mei 2017 heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies. Nu de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 17 mei 2017 aan de hand van het mediane loon heeft geconcludeerd dat het primair en op 27 januari 2017 vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 0% ongewijzigd blijft, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant met ingang van 13 september 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beroep tegen het bestreden besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, dit beroep had gegrond verklaard moeten worden.

3.2.

Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten gelet op zijn medicijngebruik en zijn klachten die verband houden met een carpaal tunnelsyndroom. Appellant kan ook geen staand werk verrichten en de beperkingen voor werken in een gebogen zitpositie zijn onvoldoende meegenomen. Ten slotte heeft appellant moeite met autoriteit en werken in teamverband. Zijn huisarts is ten onrechte niet benaderd met een verzoek om informatie. Appellant heeft tevens gesteld dat in een aantal van de geselecteerde functies, hoewel die in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) als zittend worden omschreven, in werkelijkheid de gehele werkdag dient te worden gestaan. Appellant verwijst naar zijn mailwisseling met enkele uitzendbureaus waaruit dit blijkt. Appellant verzoekt om een arbeidsdeskundige als deskundige in te schakelen omdat uit de beoordeling van Brons in het kader van de indicatie banenafspraak naar voren komt dat appellant is aangewezen op een jobcoach.

3.3.

Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 september 2019, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft er op gewezen dat de beoordeling in het kader van de indicatie banenafspraak ongeveer twee jaar de datum in geding is verricht. Daarnaast heeft het Uwv de juistheid van de

CBBS-gegevens staande gehouden.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I terecht niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit II heeft het Uwv het bestreden besluit I niet langer gehandhaafd. Appellant had daarmee geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit I. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

28 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1420.

4.2.

Over het bestreden besluit II, waarbij de weigering om aan appellant met ingang van 13 september 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, is gehandhaafd, wordt als volgt overwogen.

4.3.

Het medisch onderzoek is op zorgvuldig wijze verricht. De verzekeringsartsen hebben dossierstudie verricht en appellant is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoorzitting gezien. De medische informatie die in het dossier aanwezig is, is kenbaar bij de beoordeling betrokken. Naar aanleiding van de overgelegde informatie in beroep en hoger beroep heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep nader gerapporteerd. Met betrekking tot de beroepsgrond van appellant dat door de verzekeringsartsen ten onrechte geen actuele informatie bij de behandelend sector is opgevraagd, geldt naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin al een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan, zodat er voor de verzekeringsartsen geen aanleiding bestond om nadere informatie in te winnen.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat op grond van de gegevens geen medische grondslag aanwezig is voor verdergaande beperkingen dan vastgesteld in de FML van 10 mei 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende onderbouwd dat de in het kader van de indicatie banenafspraak bij appellant aangenomen beperkingen, hoewel twee jaar na de datum in geding, nog steeds ongeveer hetzelfde zijn. Dat bij de indicatie banenafspraak voor appellant een jobcoach noodzakelijk is geacht ten behoeve van zijn

re-integratie in passend werk, speelt in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol.

4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is onvoldoende reden gelegen om te twijfelen aan de in het CBBS opgenomen omschrijvingen van de geselecteerde functies. Daaruit blijkt onmiskenbaar dat het zittende functies betreft. Dat vergelijkbare functies op de arbeidsmarkt ook staand worden uitgeoefend, doet aan de juistheid van de omschrijving van de in het CBBS opgenomen functies niet af. Voor het inschakelen van een arbeidsdeskundige bestaat daarom geen aanleiding.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) E.D. de Jong

VC