Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
17/5670 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Melding toegenomen klachten met ingang van 1 december 2015 uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 12 april 2013 in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. In essentie herhaling eerdere gronden. Door de rechtbank afdoende besproken en het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Stellen van een diagnose is niet bepalend. Geen aanleiding voor urenbeperking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5670 WIA

Datum uitspraak: 13 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 juni 2017, 16/9248 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als callcentermedewerker voor 32 uur per

week. Op 15 april 2011 heeft zij zich ziek gemeld met schouderklachten. Bij besluit van

15 maart 2013 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat zij per 12 april 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.

1.2.

Op 8 december 2015 heeft appellante zich bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten aan onder andere haar gewrichten en rug met ingang van 1 december 2015. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 februari 2016 geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen per 1 december 2015. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de toename van beperkingen niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als bij de weigering van de WIA-uitkering per 12 april 2013. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 10 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 oktober 2016 ten grondslag. In het bestreden besluit heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat de belastbaarheid per 1 december 2015 niet anders is dan de per 12 april 2013 vastgestelde belastbaarheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van toegenomen beperkingen per 1 december 2015. Uit de informatie van de behandelend sector over de fysieke klachten volgt niet zonder meer dat hieruit meer of andere beperkingen voortvloeien dan de beperkingen waarvan per 12 april 2013 werd uitgegaan. Appellante heeft weliswaar forse klachten, maar daarvoor zijn in 2013 ruime beperkingen aangenomen die in combinatie met de onderzoeksbevindingen en de informatie van de behandelend sector niet leiden tot een urenbeperking. In wat appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen, mede omdat appellante haar beroepsgronden niet met aanvullende medische stukken heeft onderbouwd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat steeds sprake is geweest van klachten en beperkingen aan het bewegingsapparaat en de gewrichten en dat deze klachten na de

WIA-beoordeling in 2013 langzaam zijn verergerd. Zij heeft erop gewezen dat de primaire verzekeringsarts na gedegen onderzoek heeft geconcludeerd dat sprake is van toegenomen beperkingen in de fysieke en psychische belastbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij van dit oordeel is afgeweken. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de brieven van onder andere haar huisarts, fysiotherapeut en reumatoloog die zij heeft overgelegd tijdens de bezwaarprocedure. Appellante heeft de Raad verzocht om een reumatoloog als deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 december 2015 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 12 april 2013 in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die zij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Benadrukt wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 10 oktober 2016 en 3 april 2017 overtuigend heeft onderbouwd waarom de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat sprake is van een toename van beperkingen in de fysieke en psychische belastbaarheid niet kan worden gevolgd. Daarbij is erop gewezen dat het stellen van een diagnose niet bepalend is. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat niet gesproken kan worden van een zodanig ernstige lichamelijke en/of psychiatrische aandoening dat een urenbeperking zou moeten worden aangenomen.

4.4.

Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een onafhankelijke deskundige.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Buur