Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3615

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
17-7048 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7048 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

18 september 2017, 16/3487 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 14 november 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving vanaf mei 2014 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een alleenstaande. Op 5 juni 2015 is appellant gehuwd met [naam echtgenoot], die toen nog in Thailand woonde.

1.2.

Bij besluit van 17 december 2015 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant met ingang van 1 juli 2015 herzien naar de norm voor een gehuwde.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2015 ongegrond verklaard, onder de overweging dat appellant niet als duurzaam gescheiden levend van zijn echtgenote kan worden aangemerkt.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep is aangevoerd dat appellant duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Zijn echtgenote woont en werkt in Thailand en kan niet naar Nederland komen.

3.2.

Bij brief van 9 september 2019 heeft de Svb meegedeeld dat appellant sinds 6 november 2018 samenwoont met zijn echtgenote in Nederland en dat met ingang van 4 januari 2019 een AIO-uitkering is toegekend in aanvulling op het AOW-pensioen van appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant vanaf 1 juli 2015 niet als duurzaam gescheiden levend als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW kan worden aangemerkt.

4.2.

Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwde mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk hun eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving – al dan niet op termijn – aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.

4.4.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, moet worden geconcludeerd dat van een uitzonderingssituatie als hiervoor onder 4.3 bedoeld geen sprake is. Hierbij is van belang dat appellant met zijn echtgenote is gehuwd in Thailand. Voorts heeft appellant na het huwelijk maandelijks aan zijn echtgenote een financiële bijdrage overgemaakt. Verder had appellant een regelmatig en intensief contact met zijn echtgenote; zij belden elkaar enkele keren per dag en schreven elkaar vrijwel dagelijks brieven. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat appellant en zijn echtgenote een intensief contact met elkaar onderhielden, zij het op grote afstand van elkaar, en dat appellant financieel zorg droeg voor zijn echtgenote. Dit alles staat in de weg aan de conclusie dat appellant en zijn echtgenote op en na 1 juli 2015 een leven leidden als waren zij ongehuwd. Het enkele feit dat het niet de intentie van appellant en zijn echtgenote geweest zou zijn om ooit ergens samen te gaan wonen, van welke intentie zij inmiddels kennelijk zijn teruggekomen, kan hieraan niet afdoen.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2019.

(getekend) T.L. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.3

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.