Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
17/2602 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1712, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending medewerkingsverplichting leidt tot opschorten en intrekken bijstand. Verzoek om mee te werken kan wederom worden gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2602 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2017, 16/6269 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 15 januari 2019

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte

Griffier: S.A. de Graaff

Namens appellanten is mr. A. El Idrissi, kantoorgenoot van mr. M. El Idrissi, verschenen.

De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellanten ontvingen sinds 1 januari 2010 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling). Bij besluit van 23 september 2015 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling van appellanten opgeschort met ingang van 8 september 2015 en de AIO-aanvulling vervolgens bij besluit van 6 november 2015 ingetrokken omdat zij de gevraagde CIN-nummers niet hadden overgelegd. Het bezwaar tegen dit laatste besluit heeft de Svb bij beslissing van 4 februari 2016 gegrond verklaard en dat besluit herroepen omdat niet binnen acht weken na de opschorting een besluit tot intrekking van de AIO-aanvulling is genomen.

2. Het bestreden besluit van 29 augustus 2016 ziet op een latere intrekking na opschorting van de AIO-aanvulling met ingang van 29 maart 2016. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten, door hun CIN-nummers niet te overleggen, niet hebben meegewerkt aan een controle onderzoek in Marokko en daarmee de op hen rustende medewerkingsverplichting hebben geschonden. De bevoegdheid tot intrekking van de

AIO-aanvulling heeft de Svb gebaseerd op artikel 54, eerste en vierde lid, van de PW.

3. In zijn uitspraak van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:806, heeft de Raad geoordeeld dat appellanten in die zaken, door hun CIN-nummers niet over te leggen, onvoldoende medewerking hebben verleend aan het onderzoek naar vermogen in Marokko en dat appellanten daarmee de op hen rustende medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW, hebben geschonden. In deze uitspraken heeft de Raad tevens geoordeeld dat het opvragen van CIN-nummers niet in strijd is met de destijds door de Svb gevoerde gedragslijn, dat CIN-nummers pas worden opgevraagd als nader onderzoek in Marokko nodig is, nu deze nummers immers in die zaak juist waren opgevraagd in het kader van een vervolgonderzoek.

4. Anders dan appellanten hebben betoogd, staat geen wetsartikel of rechtsregel er aan in de weg dat de Svb na gebruikmaking van haar bevoegdheden tot opschorting en intrekking ingevolge artikel 54, eerste en vierde lid, van de PW, bij het vragen van dezelfde medewerking die, zoals in dit geval, eerder niet gegeven werd, opnieuw gebruik maakt van de aan dit artikel ontleende bevoegdheden. Hieraan wordt nog toegevoegd dat bij de besluitvorming van 4 februari 2016 sprake was van een andere situatie dan nu aan de orde, te weten een termijnoverschrijding, en dat appellanten aan die besluitvorming niet het vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat de Svb geen gebruik meer zou maken van deze bevoegdheden bij het opvragen van hun CIN-nummers. De overige door appellanten in hoger beroep aangevoerde gronden zijn identiek aan de beroepsgronden die betrokkenen in de onder 3 genoemde zaak hebben aangevoerd. In die uitspraak is de Raad gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. De Raad ziet in deze zaak geen aanleiding anders te oordelen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) S.A. de Graaff (getekend) O.L.H.W.I. Korte

md