Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:36

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
17/1516 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Boete. Werkzaamheden in garage van broer. Appellant mag worden gehouden aan zijn ondertekende verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1516 PW, 17/1517 PW

Datum uitspraak: 8 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 februari 2017, 16/1974 en 16/2716 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Erik, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Erik. Als tolk is verschenen E. Battaloglu. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving - met onderbrekingen - samen met zijn echtgenote sinds

21 december 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant bij een garagebedrijf werkt, hebben medewerkers van de afdeling Handhaving van de gemeente Dordrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers in de periode van 31 maart 2014 tot en met 19 juni 2014 waarnemingen verricht in de buurt van [garage] (hierna: garage) en hebben zij met appellant op

19 juni 2014 en op 8 juli 2014 gesprekken gevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage Onderzoek Handhaving.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur aanleiding geweest om bij besluit van

25 augustus 2014 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 8 juli 2014

in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 4 augustus 2011 tot en met 3 november 2011, 13 december 2012 tot en met 25 juni 2013 en 10 september 2013 tot en met 30 juni 2014 terug te vorderen tot een bedrag van € 27.773,46.

1.4.

Bij besluit van 12 mei 2015 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

9 juli 2015, heeft het bestuur aan appellant een boete opgelegd van € 8.100,- wegens schending van de inlichtingenverplichting.

1.5.

Bij besluit van 15 maart 2016 (bestreden besluit 1) heeft het bestuur het bezwaar tegen besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het bestuur heeft de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van bijstand gedurende twee jaar voorafgaande aan 8 juli 2014 (lees: de periode van 13 december 2012 tot en met 25 juni 2013 en 10 september 2013 tot en met 30 juni 2014) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 24.326,94 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden bij de garage. Als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand in bovengenoemde perioden niet worden vastgesteld.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 15 maart 2016 (bestreden besluit 2) heeft het bestuur het bezwaar tegen besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 1.647,14. Aan de besluitvorming heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door zijn werkzaamheden bij de garage niet te melden. Het bestuur is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft de hoogte van de boete aangepast aan de draagkracht van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Intrekking

4.1.

.1. De te beoordelen periode loopt van 13 december 2012 tot en met 25 juni 2013 en van

10 september 2013 tot en met 30 juni 2014.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode geen werkzaamheden in de garage heeft verricht. Hij bezocht zijn broer en sleutelde aan zijn eigen auto’s.

4.2.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft op 19 juni 2014 verklaard dat hij

twee tot vier dagen in de week zijn broer in de garage helpt. Op de vraag van de consulent welke werkzaamheden hij verricht, heeft appellant geantwoord dat hij aan auto’s sleutelt. De verklaring van appellant wordt ook ondersteund door de verrichte waarnemingen. Op

9 juni 2014 is waargenomen dat appellant in de garage aan een motor aan het klussen was. Op 11 juni 2014 heeft een handhavingsmedewerker met appellant over een deuk in een auto gesproken en op 19 juni 2014 is waargenomen dat appellant en een man een auto in de garage aan het repareren waren.

4.3.

De verklaringen van appellant, in samenhang met de verrichte waarnemingen, bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het bestuur dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Het betoog van appellant dat zijn broer niet de middelen heeft hem te betalen voor zijn verrichte werkzaamheden, baat appellant dan ook niet.

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij op 8 juli 2014 niet heeft verklaard dat hij anderhalf tot twee jaar bij zijn broer heeft gewerkt.

4.4.1.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Na het gesprek op 19 juni 2014 heeft het bestuur appellant uitgenodigd voor een gesprek op 8 juli 2014. Appellant heeft op die dag verklaard dat hij anderhalf tot twee jaar bij zijn broer heeft gewerkt. Appellant mocht aan de door hem afgelegde en na voorlezing van de door hem ondertekende verklaring worden gehouden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn verklaring onjuist is weergegeven. Zijn stelling dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is en als gevolg daarvan de vragen tijdens het gesprek niet heeft begrepen, vindt geen steun in het gespreksverslag. Er bestond dan ook geen aanleiding voor het bestuur om een tolk in te schakelen. Het had op de weg van appellant gelegen om, indien hij tijdens het gesprek op 8 juli 2014 bijstand wilde van een tolk of een derde, daartoe maatregelen te nemen dan wel daarover met het bestuur in contact te treden.

4.5.

Nu het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat zijn activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is hierin niet geslaagd. Niet in geschil is dat hij geen administratie heeft bijgehouden van de omvang van de werkzaamheden.

4.6.

Appellant heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

Boete

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het bestuur heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het bestuur was daarom ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet (PW) verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 1.647,14 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

LO