Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3596

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
17/7596 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere medische gronden naar voren gebracht dan in de beroepsprocedure. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Voor zowel de psychische als de lichamelijke klachten zijn beperkingen aangenomen. Appellant heeft niet met (medische) stukken onderbouwd dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Appellant is beperkt geacht in het aantal uren dat hij kan werken. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7596 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 oktober 2017, 17/1275 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 november 2019

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

In reactie op een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als timmerman voor 40 uur per week. Op 26 maart 2010 heeft hij zich ziek gemeld met rug- en heupklachten na een bedrijfsongeval. Bij besluit van 25 mei 2012 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 22 juni 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 25 oktober 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 juni 2013 het tegen het besluit van 25 oktober 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het door appellant ingestelde hoger beroep is ingetrokken.

1.2.

Aan appellant is vanaf 22 juni 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit deze situatie heeft hij zich per 20 augustus 2012 ziekgemeld met langzaam progressieve pijnklachten van de nek met uitstraling in linker arm/hand en daarnaast toename van rug en linker heup- en beenklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 18 augustus 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 68% en het einde van de loongerelateerde periode op 21 juni 2016. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant met ingang van 22 juni 2016 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 65 tot 80%.

1.3.

In verband met een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft in augustus 2016 een herbeoordeling plaatsgevonden. Appellant heeft in dit kader het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat geen aanleiding bestaat om de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) uit 2014 per datum aanvraag bij te stellen omdat er in objectief medische zin niets is veranderd. Wel ziet de verzekeringsarts aanleiding om appellant te faciliteren voor het volgen van een revalidatiebehandeling, zodat tijdelijk vanaf 1 oktober 2016 (de maand waarin de behandeling zal beginnen) zal worden aangenomen dat appellant geen benutbare mogelijkheden heeft. Het Uwv heeft bij besluit van 30 september 2016 de WIA-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2016 gewijzigd en vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard. De vervolguitkering waar appellant in de periode van 22 juni 2016 tot
1 oktober 2016 recht op had, blijft ongewijzigd berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%. Vanaf 1 oktober 2016 blijft de uitkering van appellant ongewijzigd uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een aangepaste FML van 2 januari 2017 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig is verricht. Van belang is geacht dat alle door appellant naar voren gebrachte klachten, zowel psychische als fysieke, op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling zijn betrokken. Dat geldt ook voor het medicijngebruik van appellant. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist. Over het feit dat de verzekeringsarts het medisch onderzoek later heeft verricht dan dat appellant had gewild heeft de rechtbank geoordeeld dat dit niet betekent dat het onderzoek onzorgvuldig was, temeer nu over de eerdere periode informatie van de behandelend sector aanwezig was. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de belastbaarheid van appellant in de periode in geding, 22 juni 2016 tot 1 oktober 2016, door de artsen van het Uwv op overtuigende wijze is gemotiveerd. Het beroep van appellant heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om aan de juistheid van medische beoordeling van het Uwv te twijfelen. Vast staat dat in de beoordelingsperiode, anders dan per 1 oktober 2016 de situatie zou zijn, geen sprake was van een voorgenomen noodzakelijke intensieve revalidatiebehandeling, zodat in deze periode ook geen sprake kon zijn van tijdelijk geen benutbare mogelijkheden wegens verminderde beschikbaarheid. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 19 januari 2017 voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de vastgestelde belastbaarheid van appellant in de beoordelingsperiode niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als in beroep.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat voor een verzekerde na afloop van de wachttijd recht op uitkering als hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat na afloop van de wachttijd een recht op uitkering voor de verzekerde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA, over de periode 22 juni 2016 tot 1 oktober 2016, juist heeft vastgesteld.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere medische gronden naar voren gebracht dan in de beroepsprocedure. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak in de overwegingen 7 tot en met 10 afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Voor zowel de psychische als de lichamelijke klachten zijn beperkingen aangenomen. Appellant heeft niet met (medische) stukken onderbouwd dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Ook is appellant beperkt geacht in het aantal uren dat hij kan werken.

4.4.

De in de geselecteerde functies voorkomende signaleringen zijn voldoende toegelicht in het resultaat functiebeoordeling en in de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Ook ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt dus geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.5.

Het standpunt van appellant dat er geen rekening is gehouden met zijn thuissituatie leidt niet tot een ander oordeel. In de Wet WIA is geen bepaling opgenomen, die het Uwv de mogelijkheid geeft af te wijken van de artikelen 5 en 54 van die wet. Ter zitting is voorts gebleken dat appellant in de periode van 22 juni tot 1 oktober 2016 een toeslag op de vervolguitkering heeft gehad.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2019.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(get.) H. Spaargaren