Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
17/8014 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een WIA-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8014 WIA

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

31 oktober 2017, 17/2087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F. Ronday, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ronday. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 40 uur per week. Op 3 juli 2014 heeft appellante zich ziek gemeld met rug- en knieklachten.

1.2.

In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar appellante wel belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 november 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante 90,05% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 22 december 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van

31 oktober 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling van het Uwv onjuist is. Hierbij heeft de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in het standpunt dat ondanks onderzoek door de behandelend sector naar de rug- en knieklachten van appellante er geen aanwijzingen zijn voor afwijkingen die de ernst van haar lichamelijke pijnklachten kunnen verklaren. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen heeft kunnen vinden voor een ernstige psychopathologie of een ernstig psychisch beeld. Verder heeft de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat appellante geen medische onderbouwing heeft gegeven voor haar schouderproblematiek. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv met de arbeidskundige rapporten voldoende heeft gemotiveerd waarom de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Volgens de rechtbank moet appellante de geselecteerde functies kunnen verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat haar gezondheidsklachten in onvoldoende mate door het Uwv zijn onderkend. Appellante heeft aangevoerd dat haar herstel nog maanden kan duren en zij gezien haar lichamelijke klachten de geselecteerde functies niet kan uitoefenen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante informatie van haar bekkenfysiotherapeut, een medicatieoverzicht en informatie van een orthopedisch chirurg overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat voor een verzekerde na afloop van de wachttijd recht op uitkering als hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat na afloop van de wachttijd een recht op uitkering voor de verzekerde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 31 oktober 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Geoordeeld wordt dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd, een anamnese afgenomen en appellante zowel psychisch als lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de verzekeringsarts heroverwogen en heeft hiertoe eveneens dossierstudie verricht alsmede de hoorzitting bijgewoond. De verzekeringsartsen hebben op inzichtelijke wijze gerapporteerd hoe zij tot hun standpunt zijn gekomen.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de medische beoordeling van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht geconcludeerd dat de ernst van de lichamelijke klachten zoals appellante deze schetst niet wordt geobjectiveerd met medische gegevens. Hierbij wordt betrokken dat op de MRI en de echo alsmede bij onderzoek door de afdeling radiologie geen dan wel slechts geringe afwijkingen aan het been en aan de knie zijn waargenomen. Wat betreft de rugklachten van appellante wordt in overweging genomen dat de neuroloog spreekt over klachten die passend zijn bij de al bekende scoliose, maar dat hij bij onderzoek geen aanwijzingen voor een wortelcompressie/HNP of kanaalstenose heeft geconstateerd. Ook tijdens lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts zijn geen dusdanige afwijkingen gevonden die de ernst van de lichamelijke klachten van appellante ondersteunen. Geoordeeld wordt dat met de reeds aangenomen beperkingen in rubrieken 3, 4 en 5 appellante voldoende tegemoet wordt gekomen in haar lichamelijke klachten op de datum in geding.

4.5.

Wat betreft de in hoger beroep overgelegde brief van de bekkenfysiotherapeut en de orthopedisch chirurg alsmede het door appellante ingediende medicatieoverzicht wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 16 april 2018 en

3 september 2019 afdoende heeft gemotiveerd dat met deze stukken geen andere medische feiten of gegevens zijn ingebracht waaruit blijkt dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld.

4.6.

De beroepsgrond van appellante dat het Uwv haar psychische klachten onvoldoende heeft onderkend, wordt evenmin gevolgd. Met de vastgestelde beperkingen in rubrieken 1 en 2 hebben de verzekeringsartsen rekening gehouden met de door de huisarts vastgestelde depressieve klachten en somberheid. De verzekeringsarts heeft tijdens psychisch onderzoek een soortgelijk beeld waargenomen, maar geen aanwijzingen voor een ernstige psychopathologie of psychiatrische stoornis waargenomen. Voor het aannemen van aanvullende beperkingen wegens verdergaande psychische problematiek op de datum in geding hebben de verzekeringsartsen daarom terecht geen aanleiding.

4.7.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.8.

De overwegingen in 4.3 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding gezien.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2019.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) R.H. Koopman

RB