Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
17/7698 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting WIA-uitkering per 1 november 2015 in een WGA-vervolguitkering, op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7698 WIA

Datum uitspraak: 13 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 oktober 2017, 16/2372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Köse, advocaat. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als assembler voor 38,5 uur per week. Appellant ontvangt vanaf 12 juni 2013 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 28 december 2015 heeft het Uwv de WIA-uitkering per 1 november 2015 omgezet in een WGA-vervolguitkering, op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 19 februari 2016 heeft het Uwv de gemachtigde van appellant meegedeeld dat aan besluit van 28 december 2015 geen actueel sociaal medisch oordeel ten grondslag ligt en dat nieuwe onderzoeken door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige zullen volgen. In dat kader is appellant onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 7 april 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 56,92%.

1.3.

Bij besluit van 28 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 28 december 2015 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juni 2016 en op een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 juni 2016.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze, volledig en ook overigens conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld, heeft plaatsgevonden. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsartsen relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist. In de ter zitting overgelegde informatie heeft het Uwv geen aanleiding gezien om tot een ander standpunt te komen, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de behandelende specialisten in de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om dit standpunt in twijfel te trekken. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat bij de vaststelling van de belastbaarheid geen doorslaggevende betekenis moet worden gehecht aan de klachten zoals appellant die zelf ervaart, maar dat er moet worden uitgegaan van klachten die objectiveerbaar zijn.

3.1.

Appellant is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat hij geen medische informatie heeft overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zijn medische situatie door het Uwv is onderschat. Appellant stelt dat uit de in beroep overgelegde informatie van zijn neuroloog blijkt dat bij hem de nekbewegingen in alle richtingen beperkt zijn en dat de rug flexie beperkt is. Tevens wordt vermeld dat er sprake is van klachten in het linkerbeen en voet. Volgens appellant kan daarom niet worden aangenomen dat hij normaal kan torderen en zijn de beperkingen ten aanzien van het duwen en trekken en tillen of dragen te gering beoordeeld. Op basis van de door hem overgelegde informatie kan niet van hem worden verwacht dat hij elk uur van de werkdag ongeveer 600 keer voorwerpen van ruim 1 kg kan hanteren. Daarbij ligt het volgens appellant niet voor de hand dat hij het hoofd normaal in een bepaalde stand kan houden tijdens het werk. Zijn medische omstandigheden brengen mee dat hij niet enkel licht beperkt is bij lopen, traplopen en klimmen. Bovendien kan hij niet normaal knielen of hurken. Met de aanwezige rug- en nekklachten kan niet van appellant verwacht worden dat hij normaal tenminste 5 keer achtereen gebogen of getordeerd actief kan zijn. Ter onderbouwing van het standpunt dat zijn medische beperkingen zijn onderschat heeft appellant in hoger beroep het patiëntdossier van zijn huisarts overgelegd en het besluit van de Gemeente Venray van 7 augustus 2018 om hem een gehandicaptenparkeerkaart toe te kennen. Hierin wordt gesteld dat de maximale loopafstand van appellant 100 meter bedraagt.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van 22 mei 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. De dossiergegevens zijn bestudeerd, de klachten van appellant zijn in kaart gebracht, appellant is zowel psychisch als lichamelijk onderzocht en de gegevens van de behandelend sector zijn bij de beoordeling betrokken. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de hoorzitting bijgewoond, de in bezwaar verkregen gegevens in zijn heroverweging betrokken en inzichtelijk gemotiveerd hoe hij tot zijn standpunt is gekomen. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv. De rechtbank vond in de door appellant in beroep ingezonden medische stukken terecht onvoldoende medisch objectiveerbare aanknopingspunten voor twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. In de door appellant in beroep overgelegde medische informatie van reumatoloog en de neuroloog worden door appellant verwoorde klachten vermeld waarvoor weinig tot geen klinisch relevante afwijkingen zijn gevonden.

4.2.

Ook de in hoger beroep door appellant ingezonden informatie kan niet tot een ander oordeel leiden. In zijn rapport van 22 mei 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat deze reeds bekende informatie zijn conclusie bevestigt dat bij appellant op de datum in geding geen sprake is van een depressie in engere zin maar van een stoornis waarvoor geen duidelijke lichamelijke ziekte werd gevonden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan op basis van de medische stukken niet worden beargumenteerd dat de maximale loopafstand van appellant tijdens de voor dit geding relevante periode minder dan 100 meter bedraagt. Er is onvoldoende reden om de overtuigende conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. De in hoger beroep ingebrachte informatie leidt niet tot de conclusie dat de beperkingen van appellant per 1 november 2015 zijn onderschat. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank het verzoek om een deskundige in te schakelen terecht heeft afgewezen, ook de Raad ziet geen aanleiding tot het inschakelen van een deskundige.

4.3.

Nu de beperkingen van appellant op de datum in geding niet zijn onderschat, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de belasting in de voor appellant geselecteerde functies zijn functionele mogelijkheden overschrijdt.

4.4.

Gezien wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) R.H. Koopman