Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
18/3890 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De situatie van betrokkene voldoet niet aan de strikte conflicteis in de zin van de wet. Dat de ernstig verstoorde relatie tussen betrokkene en haar vader ten gevolge van zijn gedrag en verslavingsproblematiek triest en pijnlijk moet zijn voor betrokkene lijdt geen twijfel. Dat is echter niet voldoende om tot loskoppeling te besluiten. Dat betekent dat de minister het verzoek van betrokkene heeft mogen afwijzen. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/548
NJB 2019/2577
RSV 2019/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3890 WSF

Datum uitspraak: 13 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juni 2018, 17/4804 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.A.M. van der Geld, advocaat, een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Geld.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft bij besluit van 30 juni 2017 aan betrokkene vanaf september 2017 studiefinanciering toegekend op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

1.2.

Bij besluit van 14 juli 2017 heeft de minister het verzoek van betrokkene om bij de vaststelling van de aanvullende beurs vanaf september 2017 geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling) afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 8 november 2017 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2017 niet-ontvankelijk verklaard omdat

betrokkene niet gemotiveerd heeft waarom zij de afwijzing van de aanvraag niet juist acht.

Betrokkene heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

1.4.

Tijdens de beroepsprocedure heeft de minister, onder intrekking van het bestreden
besluit 1, bij besluit van 8 januari 2018 (bestreden besluit 2) het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2017 ongegrond verklaard. Volgens de minister kan niet worden gesproken van een ernstig en structureel conflict tussen betrokkene en haar vader als bedoeld in de artikelen 3.14 van de Wsf 2000 en 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000). Voorts is geen sprake van een situatie als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder c, en 9 van het Bsf 2000.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van procesbelang en het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en de minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, met bepalingen over griffierecht en proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat niet voldaan is aan de grond voor loskoppeling als neergelegd in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bsf 2000. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3542, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat niet gezegd kan worden dat het contact tussen betrokkene en haar vader vanaf haar twaalfde levensjaar niet wezenlijk is als bedoeld in artikel 9 van het Bsf 2000. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat geen sprake was van een ernstig en structureel conflict als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000. De overgelegde verklaringen schetsen een beeld van een ontwrichte gezinssituatie die een ernstig en structureel conflict tussen betrokkene en haar vader tot gevolg heeft gehad. Betrokkene benoemt de omstandigheden die aan het conflict ten grondslag liggen terecht als ernstig geestelijk geweld van haar vader tegenover haar. Betrokkene is na de scheiding van haar ouders, van haar negende tot haar dertiende jaar, gedwongen geweest om bij haar vader te wonen terwijl zij dat niet wilde. Het was voor haar een beklemmende en angstige situatie. Zij had vaak ruzies met haar vader, met name over de opvoeding van haar broertje die het syndroom van Down heeft. Haar vader was door zijn verslavingsproblematiek vaak alleen met zichzelf bezig en was daardoor niet goed in staat om voor de kinderen te zorgen. Om die reden heeft betrokkene op jonge leeftijd jarenlang de verantwoordelijkheid gehad voor de opvoeding van haar broertje. Betrokkene heeft verklaard dat haar vader heeft toegegeven dat hij haar in die jaren heeft verwaarloosd. Door deze voorgeschiedenis heeft betrokkene het contact met haar vader verbroken.

3. De minister heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en hem opgedragen is een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Volgens de minister heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een ernstig en structureel conflict in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000. Duidelijk is dat de relatie tussen betrokkene en haar vader verstoord is. Echter de omstandigheden dat betrokkene meende dat haar vader niet in staat was voor de kinderen te zorgen, zij met haar vader hierover woorden heeft gehad en zij tegen haar wil bij haar vader moest verblijven zijn niet voldoende om te spreken van een ernstig en structureel conflict in de zin van de wet. Betrokkene is voorts nadat de omgangsregeling met haar vader gestopt was nog een aantal zondagmiddagen bij hem langs geweest. Ook dat wijst niet in de richting van het bestaan van een conflict als bedoeld in de wet.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Er is, blijkens de Nota van Toelichting bij het Bsf 2000, waarin de loskoppelingsregeling is uitgewerkt, van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende in de zin van artikel 3.14 van de Wsf 2000 en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het
Bsf 2000 sprake indien de verstoring van de relatie tussen ouder en kind zodanig fundamenteel en structureel is dat loskoppeling de enige weg is. Als voorbeelden daarvan worden genoemd gevallen waarbij ernstig lichamelijk of ernstig geestelijk geweld een rol heeft gespeeld, dan wel gevallen van diepgaande, met ernstige conflicten gepaard gaande, verschillen van inzicht over met name levensovertuiging, cultuur of geloof.

4.2.

Een restrictieve uitleg van de loskoppelingsgrond in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000 is niet alleen in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, zoals deze uit de Nota van Toelichting bij het Bsf 2000 kan worden afgeleid, maar past ook binnen het systeem van de wet. De Wsf 2000 heeft met het bepaalde in de artikelen 3.8 tot en met 3.13 als uitgangspunt dat de aanspraak op een aanvullende beurs afhankelijk is van een, op basis van het ouderlijk inkomen berekende, veronderstelde ouderlijke bijdrage. Met
artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000 wordt afgeweken van dit wettelijk uitgangspunt van ouderafhankelijkheid en ouderverantwoordelijkheid voor de aanspraken op een aanvullende beurs (met uitzondering van de juridisch afdwingbare onderhoudsverplichting op grond van artikel 1:395a BW tot het bereiken van de leeftijd van 21 jaar ingevolge het bepaalde in artikel 12 van het Bsf 2000). Een ruime uitleg van een uitzonderingsbepaling op een fundamenteel wettelijk uitgangspunt ligt niet in de rede.

4.3.

De overgelegde verklaringen maken duidelijk dat de relatie tussen betrokkene en haar vader structureel verstoord is geraakt na de echtscheiding van haar ouders in 2009. Betrokkene was toen negen jaar oud. Op grond van de, door de rechtbank, getroffen omgangsregeling moest betrokkene, tegen haar zin, een deel van de week bij haar vader verblijven. Gedurende de periode van haar negende tot haar dertiende jaar heeft haar vader, mede door zijn verslavingsproblematiek, betrokkene en de andere kinderen een onveilige gezinssituatie geboden en zijn kinderen verwaarloosd. Van een wezenlijke ouder-kindrelatie tussen betrokkene en haar vader is sinds geruime tijd geen sprake. Echter, daaruit kan niet geconcludeerd worden dat loskoppeling aangewezen is. Niet is gebleken van (voldoende) bijkomende omstandigheden daarvoor. In de hier aan de orde zijnde periode, die aanvangt per september 2017, is niet (langer) sprake van een situatie die geduid moet worden als
(dreiging van) geestelijke mishandeling. Na het wijzigen van de omgangsregeling met haar vader in 2014 is betrokkene volledig bij haar moeder gaan wonen en was er nog nauwelijks contact met haar vader. Uiteindelijk heeft zij het contact met haar vader verbroken waarin haar vader, die gezien zijn brief van 31 oktober 2016 (in enige mate) beseft dat hij als vader ernstig tekort is geschoten, berust.

4.4.

. Gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 voldoet de situatie van betrokkene niet aan de strikte conflicteis in de zin van de wet. Dat de ernstig verstoorde relatie tussen betrokkene en haar vader ten gevolge van zijn gedrag en verslavingsproblematiek triest en pijnlijk moet zijn voor betrokkene lijdt geen twijfel. Dat is echter niet voldoende om tot loskoppeling te besluiten. Dat betekent dat de minister het verzoek van betrokkene heeft mogen afwijzen. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 januari 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.H. Koopman