Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
18/3544 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeente moet aanpassing badkamer betalen. De gemeente was van mening dat de betrokken inwoner de aanpassing van de badkamer zelf kon betalen met een hypotheek op haar woning. Daarmee stelt de gemeente een financiële voorwaarde bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De Wmo 2015 kent alleen de mogelijkheid om een eigen bijdrage op te leggen. Voor het stellen van een aanvullende financiële voorwaarde biedt de Wmo 2015 dus geen ruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/559
NJB 2019/2642
JWWB 2019/286
RSV 2020/15
USZ 2020/13 met annotatie van Vermaat, M.F.
NBJ-Wmo/2020/002 met annotatie van C.W.C.A Bruggeman
AB 2020/105 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Gst. 2020/42 met annotatie van J.C. de Wit, E. Linthorst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3544 WMO15

Datum uitspraak: 20 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

17 mei 2018, 18/608 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. van ’t Laar een verweerschrift ingediend.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van ’t Laar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, geboren in 1923, heeft diverse klachten. Als gevolg hiervan ondervindt zij onder meer beperkingen bij het opstaan, zitten, bukken, knielen, reiken en tillen. Betrokkene heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in de vorm van vervanging van een ligbad door een inloopdouche.

1.2.

Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 27 oktober 2017 afgewezen.

1.3.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 21 februari 2018 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 27 oktober 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft betrokkene in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening bestaande uit een douchezitje, douchebeugels en een anti-slipvloer, te verstrekken in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) van € 901,-. Betrokkene komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening bestaande uit het vervangen van een ligbad door een inloopdouche. Het college erkent weliswaar, na een in bezwaar uitgebracht medisch advies door K.J. van Landeghem, arts bij TriviumPlus, dat betrokkene op medische gronden is aangewezen op een douche, maar verstrekt deze niet omdat het vervangen van een ligbad door een douche algemeen gebruikelijk is. Deze aanpassing is niet speciaal bedoeld voor gehandicapten en ook personen zonder beperkingen zouden deze kunnen doen bij renovatie van de badkamer. Een dergelijke renovatie valt onder groot onderhoud dat eigenaren van woningen periodiek plegen te verrichten. De normale afschrijvingstermijn van een badkamer is 25 jaar en deze is in het geval van appellante verstreken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van

27 oktober 2017 herroepen en betrokkene in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening woningaanpassing in de vorm van een pgb tot een bedrag van
€ 6.500,-, verminderd met het bedrag van € 901,- dat appellante al op grond van het vernietigde bestreden besluit is uitgekeerd. De rechtbank heeft daartoe, voor zover relevant, overwogen dat betrokkene het ligbad het liefst had willen blijven gebruiken in verband met de heilzame werking van het warme water, maar dat door haar beperkingen het gebruik van het bad niet meer verantwoord is, ook niet met gebruikmaking van de eerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekende badplank. Betrokkene heeft onbetwist gesteld dat de badkamer nog volledig functioneel is. Het ligt niet voor de hand dat iemand zonder de beperkingen van betrokkene op 94-jarige leeftijd een goed functionerende badkamer zal renoveren. Het college heeft de aanvraag van betrokkene daarom ten onrechte grotendeels afgewezen op de grond dat een inloopdouche algemeen gebruikelijk is.

3.1.

Het college heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens het college is het vervangen van een 35 jaar oude badkamer met ligbad door een inloopdouche een algemeen gebruikelijke aanpassing. De eigenaar van de woning moet de kosten daarvan zelf dragen. De technische afschrijvingsduur van de badkamer in de eigen woning van appellante is al een aantal jaren verstreken.

3.2.

Betrokkene heeft in verweer de aangevallen uitspraak onderschreven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de aangevraagde woningaanpassing algemeen gebruikelijk is.

4.2.

Zoals eerder is overwogen in de uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182, kan aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 148) worden ontleend dat het college niet gehouden is tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening wanneer het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn een uitkomst bieden. Voortbouwend op en ter nadere precisering van die uitspraak is de Raad van oordeel dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

4.3.

Volgens het college kan in zijn algemeenheid worden aangenomen dat een badkamer na 25 jaar is afgeschreven en dat de renovatie van een badkamer daarna algemeen gebruikelijk is. Hiermee is het college voorbijgegaan aan de hiervoor vermelde voorwaarde dat een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Met een inkomen op minimumniveau zal een woningaanpassing als de onderhavige, die bestaat uit het vervangen van een ligbad door een douche en onweersproken € 6.500,- kost, niet financieel kunnen worden gedragen. Dit betekent dat de door betrokkene aangevraagde woningaanpassing niet als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Het door het college ingenomen standpunt dat betrokkene de benodigde woningaanpassing wel kan betalen, omdat zij een nieuw recht van hypotheek kan laten vestigen op haar woning en de aflossing van de daaraan gekoppelde geldlening uit haar inkomen kan voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit standpunt komt er namelijk op neer dat het college naast de mogelijkheid om een bijdrage op te leggen als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 een extra vermogens- en inkomensvoorwaarde stelt voor het kunnen verstrekken van een maatwerkvoorziening. Hiervoor biedt de Wmo 2015, evenals voorheen de Wmo (vergelijk de uitspraak van 19 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7263), geen ruimte.

4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 508,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en R.M. van Male en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2019.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) P. Boer

IJ