Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
17/862 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is voldoende aanleiding om de goed onderbouwde conclusies van de onafhankelijke neuroloog te volgen. Aangenomen wordt dat appellant rond de datum in geding twee tot vier maal per week gedurende 30 tot 50 uur achtereen niet in staat was arbeid te verrichten. Er is sprake van een zodanig te verwachten ziekteverzuim dat tewerkstelling van appellant in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuwe beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 862 WIA

Datum uitspraak: 6 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 december 2016, 16/4998 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[ex-werkgever N.V.] gevestigd te [vestigingsplaats] (ex-werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De ex-werkgever heeft als derde-belanghebbende deelgenomen. Namens de ex-werkgever heeft H.E. Wonnink, arts-gemachtigde, een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. De ex-werkgever is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als medewerker [naam functie] bij ex-werkgever. Voor dat werk is hij op 5 oktober 2011 uitgevallen wegens psychische en lichamelijke klachten. Bij besluit van 5 september 2013 heeft het Uwv aan appellant over de periode van 2 oktober 2013 tot 1 maart 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 39,65%.

1.2.

Appellant heeft het Uwv verzocht om een herbeoordeling wegens verslechterde gezondheid. Het onderzoek door de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2015 en op basis van diens bevindingen heeft de arbeidsdeskundige op 14 september 2015 rapport uitgebracht. Bij besluit van 15 september 2015 heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage vervolgens vastgesteld op 55,38 en de resterende verdiencapaciteit op € 1.466,82 per maand en daarbij vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant. Appellant heeft tegen het besluit van 15 september 2015 bezwaar gemaakt.

1.3.

Na onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep één functie laten vervallen en twee nieuwe functies aan zijn schatting ten grondslag gelegd. Bij brief van 15 april 2016 heeft het Uwv appellant op de hoogte gesteld van deze functies. Appellant heeft zijn zienswijze ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2016 aangepast en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gereageerd op de zienswijze van appellant. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 27 mei 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft het besluit van 15 september 2015 herroepen in die zin dat het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 40,27 en de resterende verdiencapaciteit op € 1.963,48 per maand. Hierbij heeft het Uwv bepaald dat dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering tot 1 maart 2016. Aansluitend aan de loongerelateerde WGA-uitkering is per 1 maart 2016 een WGA‑vervolguitkering aan appellant toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om appellant te volgen in zijn standpunt dat verdergaande beperkingen dienen te worden aangenomen. Uitgaande van de juistheid van de FML, moet appellant volgens de rechtbank in staat worden geacht de aan de geselecteerde functies verbonden werkzaamheden te verrichten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat hij, als gevolg van zijn migraineaanvallen, geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid heeft. Ter onderbouwing verwijst appellant naar het door hem overgelegde rapport van de medische expertise door neuroloog A.H.C. Geerlings van 5 juni 2017. Subsidiair is appellant van mening dat in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd om hem in dienst te nemen wegens het te verwachten hoge ziekteverzuim in verband met zijn migraineaanvallen. Meer subsidiair heeft appellant aangevoerd dat er verdergaande fysieke en psychische beperkingen moeten worden aangenomen in de FML. Volgens appellant is het besluit niet zorgvuldig genomen, omdat de verzekeringsartsen hun oordeel hebben gebaseerd op verouderde informatie en er geen recente informatie is opgevraagd. Ook heeft hij aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn. Ten slotte heeft appellant de Raad, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van

8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec), verzocht een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen, indien de Raad in de door hem aangevoerde gronden en het overgelegde medische expertiserapport onvoldoende aanleiding ziet voor vernietiging van de aangevallen uitspraak en gegrondverklaring van het beroep.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar de in hoger beroep ingediende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.3.

De ex-werkgever heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat er geen nieuwe medische informatie door appellant naar voren is gebracht. Er is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden met de klachten van appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten in hoger beroep een expertiserapport overgelegd van de onafhankelijke neuroloog Geerlings. Deze heeft dossierstudie verricht, appellant gezien op spreekuur op 12 april 2017, een anamnese afgenomen en appellant neurologisch onderzocht. Geerlings heeft de informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken. Uit de informatie van de behandelend neurologen van appellant blijkt dat appellant op 27 juni 2016 en 15 november 2016 op de polikliniek neurologie is gezien en dat appellant zelf heeft gemeld dat hij twee tot vier keer per week een migraineaanval heeft en dat het 36 tot 50 uur duurt voor hij hoofdpijnvrij is. Na het onderzoek op 27 juni 2016 heeft de behandelend neuroloog onder meer geconcludeerd dat appellant migraine met aura heeft met een hoge aanvalsfrequentie. Op vragen van de gemachtigde van appellant is deze conclusie door de behandelend neurologen nog eens herhaald. Op basis van zijn eigen onderzoek en de informatie van de behandelend sector is Geerlings in zijn rapport van 5 juni 2017 tot de conclusie gekomen dat appellant in september 2015 en maart 2016 als gevolg van migraineaanvallen twee tot vier maal per week gedurende 30 tot 50 uur achtereen geheel niet in staat is om arbeid van welke aard dan ook te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 19 juli 2017 op het rapport gereageerd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de stelling over de frequentie en de aanvalsduur van de migraine te veel gebaseerd op wat door appellant naar voren is gebracht zonder nuancering en objectivering van de belastbaarheid. Geerlings heeft per brief van 19 september 2017 op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd en heeft gemotiveerd vastgehouden aan zijn standpunt.

4.2.

Er is voldoende aanleiding om de goed onderbouwde conclusies van de onafhankelijke neuroloog Geerlings te volgen. Aangenomen wordt dat appellant rond de datum in geding twee tot vier maal per week gedurende 30 tot 50 uur achtereen niet in staat was arbeid te verrichten. Gelet op dit oordeel bestaat geen aanleiding om een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen.

4.3.

Ter zitting is vastgesteld dat als wordt uitgegaan van een aanvalsfrequentie van twee tot vier maal gedurende 30 tot 50 uur per week er sprake is van een situatie als bedoeld in

artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit. Er is sprake van een zodanig te verwachten ziekteverzuim dat tewerkstelling van appellant in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd.

5. Uit overweging 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van appellant gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er zijn te weinig gegevens voorhanden om zelf in de zaak te voorzien. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. Daarnaast komen de kosten van de rapporten van neuroloog Geerlings van

€ 2027,23 en € 471,90, in totaal € 2.499,13 inclusief btw, in aanmerking voor vergoeding. In totaal is het Uwv aan appellant € 4.547,13 aan kosten verschuldigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 mei 2016;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden

ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 4.547,13;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 170,- aan hem

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) C.I. Heijkoop

VC