Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
18/6245 BABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft ten onrechte geen gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier aan appellante verstrekt. Daarbij is van belang dat de GGD-arts zijn bevindingen slechts heeft gebaseerd op (dossieronderzoek en) een observatie van het lopen van appellante van wachtkamer naar spreekkamer, terwijl de ergotherapeut een uitgebreid en specifiek evenwichtsonderzoek gericht op – onder meer – het (gaan) zitten en staan heeft uitgevoerd. Verder is van belang dat de GGD-arts zijn standpunt dat appellante gebruik kan maken van hulpmiddelen en zittend kan wachten niet nader heeft gespecificeerd en/of onderbouwd, terwijl uit de resultaten van het evenwichtsonderzoek volgt dat ook zelfstandig zitten voor appellante een probleem is. Gelet op het voorgaande is de Raad met appellante van oordeel dat er concrete aanwijzingen zijn dat appellante niet zelfstandig kan wachten totdat de bestuurder bij haar terugkeert nadat deze de auto heeft geparkeerd en dus voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/44 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6245 BABW

Datum uitspraak: 6 november 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 oktober 2018, 17/3513 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Tajjiou, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2019. Namens appellante is mr. Tajjiou verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1938, is bekend met verschillende lichamelijke klachten waaronder pijn-, duizeligheids- en evenwichtsklachten. Op 23 november 2016 heeft zij bij het college een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier.

1.2.

GGD-arts M. van den Bongard heeft op verzoek van het college onderzoek verricht en de bevindingen van dit onderzoek neergelegd in een advies van 10 maart 2017. De GGD‑arts heeft na spreekuuronderzoek en na medische informatie te hebben ingewonnen bij de huisarts van appellante geconcludeerd dat appellante niet voldoet aan de criteria voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Hij heeft te kennen gegeven dat uit de beschikbare medische informatie redelijkerwijs de conclusie kan worden getrokken dat appellante geen 100 meter meer lopend kan afleggen, maar dat zij niet van deur tot deur afhankelijk is van de bestuurder. Volgens deze arts kan appellante zonder problemen wachten totdat de bestuurder bij haar terugkeert nadat deze de auto heeft geparkeerd.

1.3.

Bij besluit van 15 maart 2017 heeft het college de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het GGD-advies. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij rapporten overgelegd afkomstig van een verpleegkundige en een ergotherapeut. De ergotherapeut heeft ter beoordeling van de evenwichtsklachten van appellante een zogenaamde berg balance scale test bij haar afgenomen. Op basis van de resultaten van deze test heeft de ergotherapeut – onder meer – beschreven dat appellante beperkingen ondervindt bij het zelfstandig staan en zitten en dat sprake is van valgevaar. De ergotherapeut heeft te kennen gegeven dat appellante een score heeft behaald van 25 uit 56 punten.

1.4.

GGD-arts Van den Bongard heeft op verzoek van het college deze stukken bestudeerd. In een advies van 7 september 2017 heeft hij geconcludeerd dat deze geen aanleiding geven om zijn advies van 10 maart 2017 te wijzigen. Over het rapport van de ergotherapeut heeft hij vermeld dat de resultaten van het evenwichtsonderzoek ernstige beperkingen laten zien die niet overeenkomen met zijn bevindingen tijdens het spreekuuronderzoek. Ook komen de resultaten niet overeen met het feit dat appellante zelfstandig woont. Daarom houdt de GGD‑arts vast aan zijn eigen bevindingen waarbij hij opmerkt dat appellante bij evenwichtsproblemen gebruik kan maken van hulpmiddelen en zittend kan wachten totdat de bestuurder bij haar terugkeert nadat deze de auto heeft geparkeerd.

1.5.

Bij besluit van 13 september 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2017 ongegrond verklaard onder verwijzing naar de GGD‑adviezen. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft – samengevat – het volgende overwogen. Het college mocht de GGD-adviezen aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag leggen. De adviezen zijn zorgvuldig tot stand gekomen. Appellante is gezien op een spreekuuronderzoek en de overgelegde informatie is betrokken bij de beoordeling. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van de adviezen, zodat evenmin aanleiding bestaat om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Het voorgaande betekent dat het college de aanvraag van appellante voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier terecht heeft afgewezen.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat zij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. De GGD-arts heeft de bevindingen van de ergotherapeut miskend en de klachten van appellante onderschat. Appellante is niet in staat om zelfstandig te wachten totdat de bestuurder bij haar terugkeert nadat deze de auto heeft geparkeerd. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geen deskundige benoemd. Appellante heeft de Raad verzocht om dat alsnog te doen.

3.2.

Het college heeft in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen:

passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder.

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat dat appellante voldoet aan de voorwaarde dat zij in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of appellante ook voldoet aan de voorwaarde dat zij voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.

4.3.

De ergotherapeut heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de evenwichtsklachten van appellante en van haar bevindingen gedetailleerd verslag gedaan in haar rapport. De ergotherapeut heeft beschreven – onder meer – dat appellante als gevolg van pijn- en duizeligheidsklachten beperkt is ten aanzien van het zelfstandig staan en zitten. Zo is bij het testonderdeel “kunt u 2 minuten blijven staan zonder u vast te houden” genoteerd dat appellante meerdere pogingen nodig heeft om 30 seconden zelfstandig te kunnen blijven staan − 2 minuten bleek niet mogelijk − en is bij het testonderdeel “kunt u 2 minuten blijven zitten met de armen over elkaar” (en met de rug ongesteund) genoteerd dat appellante hiertoe alleen met supervisie in staat is. De GGD-arts heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de beoordeling niet kan worden uitgegaan van de bevindingen van de ergotherapeut. Daarbij is van belang dat de GGD-arts zijn bevindingen slechts heeft gebaseerd op (dossieronderzoek en) een observatie van het lopen van appellante van wachtkamer naar spreekkamer, terwijl de ergotherapeut een uitgebreid en specifiek evenwichtsonderzoek gericht op – onder meer – het (gaan) zitten en staan heeft uitgevoerd. Verder is van belang dat de GGD-arts zijn standpunt dat appellante gebruik kan maken van hulpmiddelen en zittend kan wachten niet nader heeft gespecificeerd en/of onderbouwd, terwijl uit de resultaten van het evenwichtsonderzoek volgt dat ook zelfstandig zitten voor appellante een probleem is. Gelet op het voorgaande is de Raad met appellante van oordeel dat er concrete aanwijzingen zijn dat appellante niet zelfstandig kan wachten totdat de bestuurder bij haar terugkeert nadat deze de auto heeft geparkeerd en dus voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.

4.4.

Het voorgaande betekent dat het college ten onrechte geen gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier aan appellante heeft verstrekt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan appellante voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier wordt verstrekt. Dit betekent dat er geen aanleiding is om een deskundige te benoemen.

5. Gelet op wat is overwogen onder 4.4 bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de (proces)kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 512,- in bezwaar, op € 1.024,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.560,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 september 2017;

  • -

    herroept het besluit van 15 maart 2017, bepaalt dat het college aan appellante een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier verstrekt voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 september 2017;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.560,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2019.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M.A.E. Lageweg

IJ