Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
18/5474 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van de kosten van de te verlenen rechtsbijstand op grond van artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en artikel 2 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (Regeling) op de grond dat, appellant opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk heeft gehandeld, dat geen sprake is van uitvoering van de politietaak en evenmin van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 69a, vijfde lid, van het Barp. De vraag die in dit geding moet worden beantwoord is of de gewraakte handeling van appellant, te weten de naslag in het politiesysteem ten behoeve van de garagehouder en het aan hem doorgeven van de daarmee verkregen informatie, valt onder het criterium ‘uitvoering van de politietaak’ als genoemd in artikel 69a, eerste lid, van het Barp. Omdat appellant de handeling heeft verricht buiten diensttijd moet zijn optreden overeenkomstig artikel 59 van het Barp redelijkerwijs vereist zijn geweest. Met de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/578
TAR 2020/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5474 AW

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 september 2018, 18/1657 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. V.L. Moons.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor een minnelijke regeling. Bij brief van 13 september 2019 heeft de korpschef laten weten geen mogelijkheid te zien voor een dergelijke regeling en verzocht uitspraak te doen. Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam als [naam functie] bij de [Eenheid A.] . Naar aanleiding van de inbeslagname van een gestolen auto bij een garage in [plaatsnaam] op 10 februari 2017 is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar appellant op verdenking van schending van het ambtsgeheim.

1.2.

Op 2 mei 2017 heeft appellant een verzoek ingediend om vergoeding van de kosten van de te verlenen rechtsbijstand op grond van artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en artikel 2 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (Regeling).

1.3.

Op 8 juni 2017 is appellant in het kader van een strafrechtelijk onderzoek als verdachte verhoord, waarbij hij zich heeft laten bijstaan door een advocaat.

1.4.

Na een voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de korpschef het verzoek van 2 mei 2017 bij besluit van 12 juli 2017 afgewezen op de grond dat appellant opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk heeft gehandeld, dat geen sprake is van uitvoering van de politietaak en evenmin van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 69a, vijfde lid, van het Barp.

1.5.

Bij besluit van 19 februari 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juli 2017 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet gerechtigd was de politiesystemen na te slaan en de daaruit verkregen informatie te delen met de garagehouder, omdat hij geen dienst had en geen sprake was van een dringende situatie. Als de garagehouder het niet vertrouwde, had het op zijn weg gelegen de meldkamer te bellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van een situatie waarin het optreden van appellant redelijkerwijs vereist was als bedoeld in artikel 59 van het Barp, omdat een situatie waarin acuut handelen noodzakelijk was, anders dan in bijvoorbeeld in geval van een levensbedreigende of heterdaad situatie, zich niet voordeed. Het gewraakte handelen van appellant was daarom niet ter uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling. Er is evenmin sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 69a, vijfde lid, van het Barp.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 69a, eerste lid, van het Barp kent het bevoegd gezag, indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

4.1.2.

Op grond van artikel 69a, vijfde lid, van het Barp kan het bevoegd gezag in bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de omstandigheden van de ambtenaar, overwegend dat de handeling geen gevolg is van de taakuitoefening van de ambtenaar, besluiten tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

4.1.3.

Artikel 59 van het Barp bepaalt, voor zover van belang, dat de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak zich niet kan beroepen op de omstandigheid niet in dienst te zijn, in die gevallen, waarin zijn optreden redelijkerwijze is vereist.

4.1.4.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Regeling overweegt het bevoegd gezag in zijn besluit of:

- het handelen of nalaten van de ambtenaar, dat de aanleiding vormt voor het strafrechtelijk onderzoek, dan wel de aansprakelijkheidsstelling naar burgerlijk recht, een gevolg is van de uitvoering van de politietaak;

  • -

    de ambtenaar opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld;

  • -

    de ambtenaar grof nalatig is geweest.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant als verdachte in de zin van het strafrecht is aangemerkt op grond van schending van het ambtsgeheim. Tussen partijen staat verder vast dat appellant op 10 februari 2017 geen dienst had en dat hij op die dag op zijn privételefoon is gebeld door een garagehouder die bij hem in de straat woont en waar hij zijn privéauto in onderhoud heeft. De garagehouder heeft appellant gevraagd een kenteken voor hem te controleren, omdat hij het vermoeden had dat de auto die hem op dat moment in zijn garage te koop werd aangeboden, gestolen was. Appellant heeft toen direct, met zijn privételefoon onder meer het politiesysteem BVI-IB geraadpleegd. De verkregen informatie, namelijk dat de auto toen niet als gestolen te boek stond, heeft hij met de garagehouder gedeeld.

4.3.

De vraag die in dit geding moet worden beantwoord is of de gewraakte handeling van appellant, te weten de naslag in het politiesysteem ten behoeve van de garagehouder en het aan hem doorgeven van de daarmee verkregen informatie, valt onder het criterium ‘uitvoering van de politietaak’ als genoemd in artikel 69a, eerste lid, van het Barp. Omdat appellant de handeling heeft verricht buiten diensttijd moet zijn optreden overeenkomstig artikel 59 van het Barp redelijkerwijs vereist zijn geweest. Met de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

4.4.

Appellant heeft betoogd dat zijn optreden in privétijd redelijkerwijs vereist was, omdat was sprake van een serieuze melding van een mogelijk misdrijf (heling). Dit betoog slaagt niet. Met de korpschef is de Raad van oordeel dat hier sprake was van een controlevraag en niet van een heterdaadsituatie. Toen de garagehouder appellant belde, had appellant hem naar de meldkamer moeten verwijzen. Het betoog van appellant, dat uit de bij zijn functie behorende competentie besluitvaardigheid of de Beroepscode politie van hem wordt verwacht dat hij zelfstandig beslissingen neemt zonder overleg en die niet onnodig uitstelt, snijdt geen hout. Het gaat hier immers niet om de vraag of appellant al dan niet besluitvaardig is, maar of de bewuste handeling redelijkerwijs vereist is. Het feit dat later op de dag was gebleken dat het een gestolen auto betrof, brengt nog niet mee dat appellant daarom wel juist heeft gehandeld. Dit feit doet immers niet af aan het oordeel dat op het moment van het naslaan van het systeem en delen van de informatie sprake was van een controlerende handeling buiten diensttijd, die niet kwalificeert als redelijkerwijs vereist, reeds omdat appellant dit had kunnen overlaten aan de meldkamer. Dit zou eerst anders zijn als appellant aanwezig was in het bedrijf van de garagehouder op het moment van het aanbieden van de gestolen auto en aldus in de gelegenheid was een aanhouding te verrichten.

4.5.

Appellant heeft zich beroepen op de hardheidsclausule van het vijfde lid van artikel 69a van het Barp. Deze bepaling geeft de korpschef de bevoegdheid om in bijzondere gevallen, gezien de aard van de zaak of de omstandigheden van de ambtenaar, toch een tegemoetkoming in de kosten toe te kennen. Appellant heeft betoogd dat sprake is van een bijzonder geval omdat hij weliswaar is aangemerkt als verdachte, maar niet strafrechtelijk is vervolgd. Daarom heeft hij zijn schade niet in het (achterwege gebleven) strafproces kunnen vorderen. De Raad volgt appellant hierin niet. Het eerste lid van artikel 69a van het Barp stelt, voor zover hier van toepassing, slechts als vereiste dat men als verdachte is aangemerkt. Daaruit volgt dat strafrechtelijke vervolging of het juist afzien daarvan niet van invloed is op de aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten. Daarom valt niet in te zien dat de
niet-vervolging een bijzonder geval is.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) L.R. Daman

md