Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
18/1505 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:1172, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenmalige kasstorting betreft in beginsel inkomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er toch geen sprake is van inkomen. Dat gespaard is van wisselgeld is niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1505 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 oktober 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2018, 17/4556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Zitting heeft: W.F. Claessens, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: R.I.S. van Haaren

Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. Codrington. Namens betrokkene is verschenen mr. N. Oumhamed.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om een herziening van de bijstand over januari 2017 in verband met een kasstorting van € 370,- op 30 januari 2017 (kasstorting). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het college de kasstorting ten onrechte heeft aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 17 juli 2017 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij de verklaring van betrokkene over de herkomst van de kasstorting niet op voorhand ongeloofwaardig acht. Deze verklaring houdt in dat betrokkene € 370,- bij elkaar had gespaard van het wisselgeld dat hij bij het betalen van boodschappen ontving en dat hij met deze manier van sparen al bezig was sinds medio december 2014, toen hij nog in het asielzoekerscentrum woonde. De rechtbank heeft er hierbij ook nog op gewezen dat het gaat om een eenmalige storting van spaargeld op de eigen bankrekening van betrokkene.

In hoger beroep heeft het college het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft vrijelijk kunnen beschikken over het bedrag van € 370,- en heeft dit bedrag aangewend voor de voorziening in zijn levensonderhoud. Dit betekent dat de kasstorting moet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW. Met zijn verklaring over het sparen van wisselgeld heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat de kasstorting toch geen inkomen is in deze zin.

Deze beroepsgrond slaagt. Uit de in het hoger beroepschrift genoemde uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055, volgt dat een kasstorting als hier aan de orde in beginsel moet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW. Het ligt dan vervolgens op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat het gestorte geld toch geen inkomen is in deze zin. Betrokkene is daarin niet geslaagd. De enkele, op geen enkele wijze onderbouwde verklaring dat hij van medio december 2014 tot eind januari 2017 een bedrag van € 370,- aan wisselgeld bij elkaar heeft gespaard en dit bedrag vervolgens op 30 januari 2017 op zijn rekening heeft gestort, is daartoe ontoereikend.

Het hoger beroep slaagt dus. Daarom wordt de aangevallen uitspraak vernietigd en wordt het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) R.I.S. van Haaren (getekend) W.F. Claessens