Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
17/1884 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om de Wajong-uitkering te verhogen. Het Uwv heeft terecht geconstateerd dat appellant in verband met de door hem gevolgde hbo-opleiding aanspraak kon maken op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1884 WAJONG

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 januari 2016, 16/3572 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is met ingang van 17 juli 2014 inkomensondersteuning tijdens studie toegekend op grond van artikel 2:43 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), ter hoogte van 25% van het wettelijk minimumjeugdloon. Appellant volgde destijds een mbo-opleiding en maakte aanspraak op studiefinanciering in de vorm van (onder andere) een basisbeurs.

1.2.

Op 6 oktober 2015 heeft appellant het Uwv verzocht om verhoging van de Wajong‑uitkering. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat hij met ingang van 1 september 2015 is begonnen aan een hbo-opleiding en met ingang van deze datum geen studiefinanciering meer ontvangt. Van de Wajong-uitkering alleen kan hij niet rondkomen. Bij besluit van 14 oktober 2015 heeft het Uwv geweigerd om de Wajong-uitkering te verhogen, omdat appellant kan lenen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. De Wajong‑uitkering blijft 25% van het voor hem geldende wettelijk minimumloon, namelijk € 282,53 bruto per maand. Bij beslissing op bezwaar van 17 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 14 oktober 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de situatie die in artikel 2:43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong wordt bedoeld, op appellant van toepassing is, omdat hij recht heeft op studiefinanciering, zij het niet meer op een basisbeurs. Volgens artikel 2:44, aanhef en onder a, van de Wajong bedraagt de inkomensondersteuning bij een inkomen van ten hoogste 25% van het minimumloon, 25% van de grondslag. Het bestreden besluit is hiermee in overeenstemming. Volgens de rechtbank zijn er geen redenen op grond waarvan het Uwv van dit wettelijk kader had moeten afwijken. Bij de wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) met ingang van 1 september 2015 heeft de wetgever de artikelen 2:43 en 2:44 van de Wajong niet gewijzigd. Het beroep van appellant op strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht slaagt evenmin, omdat artikel 2:43 van de Wajong een dwingendrechtelijk karakter heeft, zodat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging zoals appellant die wenst.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep in essentie volstaan met een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. Hij heeft zich beroepen op de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Wajong en toegelicht dat hij vanwege zijn beperkte arbeidscapaciteiten niet in staat is inkomsten te genereren. Hij heeft naar voren gebracht dat een lening op grond van de Wsf 2000 niet is te zien als ‘inkomsten’, reden waarom appellant meent recht te hebben op een volledige Wajong-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 2:43 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) luidde ten tijde in geding – voor zover van belang – als volgt:

1. In afwijking van de artikelen 2:40, 2:41 en 2:42 ontvangt de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning, inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 2:44:

a. indien hij aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.;

Artikel 2:44 van de Wajong 2015 luidt – voor zover van belang – als volgt:

De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:43 bedraagt per dag:

a. bij een inkomen per dag van ten hoogste 25% van het minimumloon: 25% van de grondslag.

4.2.

Op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de Wsf 2000 bestaat voor een opleiding in het hoger onderwijs aanspraak op studiefinanciering in de vorm van een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en collegegeldkrediet.

4.3.

Het Uwv heeft terecht geconstateerd dat appellant in verband met de door hem gevolgde hbo-opleiding aanspraak kon maken op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000. Daarmee verkeerde appellant in de situatie als bedoeld in artikel 2:43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong 2015, zodat de inkomensondersteuning op grond van artikel 2:44, aanhef en onder a, moet worden vastgesteld op 25% van de voor appellant geldende grondslag. Dat appellant er om hem moverende redenen van af heeft gezien per 1 september 2015 studiefinanciering in de vorm van een basislening aan te vragen, doet aan het voorgaande niet af. Voor de toepassing van artikel 2:43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong 2015, zoals die bepaling ten tijde in geding luidde, is niet het feitelijk ontvangen van studiefinanciering van betekenis, maar het bestaan van een aanspraak daarop. Voor de toepassing van genoemde bepaling is evenmin van belang of appellant als studerende in de zin van artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong 2015 kan worden aangemerkt.

4.4.

Het beroep van appellant op de wetgeschiedenis leidt niet tot een ander oordeel. Die wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellant dat de wetgever met de wijziging van het studiefinancieringsstelsel en de invoering van de basislening in september 2015 ook de regeling voor inkomensondersteuning tijdens studie of scholing in hoofdstuk 2 van de Wajong 2015 heeft willen wijzigen. Het Uwv heeft de dwingendrechtelijke bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wajong 2015, zoals die ten tijde in geding golden, op juiste wijze toegepast.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en D. Hardonk-Prins en

H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) V.Y. van Almelo

RB