Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
19-67 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9887, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vordering van appellante kwijt te schelden. Appellante heeft het toekenningsbesluit van bijzondere bijstand in de vorm van een lening niet bestreden en kan in onderhavige procedure over kwijtschelding niet aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 67 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2018, 18/2959 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 29 oktober 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BAMA, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Tevens is verschenen als tolk J.E. Hijnd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 24 april 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bij besluit van 19 oktober 2017 (toekenningsbesluit) heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten toegekend tot een bedrag van € 3.244,-. De bijzondere bijstand is toegekend in de vorm van een lening tot een bedrag van € 2.607,- en voor het overige om niet. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij besluit van 16 maart 2018 heeft het college, als gevolg van het door de gemeenteraad van Rotterdam gesloten Zomerakkoord, met als doel de schuldenlast van bijstandsgerechtigden terug te dringen, ambtshalve 15% van de restantvordering kwijtgescholden.

1.4.

Bij besluit van 1 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2018 ongegrond verklaard, aangezien geen grondslag bestaat voor volledige kwijtschelding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de beroepsgronden van appellante die zijn gericht tegen het besluit tot de toekenning van de bijzondere bijstand in de vorm van een lening geen bespreking behoeven, omdat appellante daar destijds geen rechtsmiddelen tegen heeft aangewend.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het besluit waarmee de bijzondere bijstand in de vorm van een lening is verstrekt onjuist is. De bijzondere bijstand had volgens appellante niet in de vorm van een lening verstrekt mogen worden. Dat appellante tegen het toekenningsbesluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend neemt volgens appellante niet weg dat de bestuursrechter zich daarover alsnog een oordeel kan vormen in de procedure tegen het besluit tot kwijtschelding. Appellante heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een kwijtscheldingbesluit betreft het besluit van verdere invordering van af te zien. Met haar beroepsgrond beoogt appellante de rechtmatigheid van het toekenningsbesluit van leenbijstand ter discussie te stellen. De rechtmatigheid van dat besluit ligt in deze procedure tegen het ambtshalve genomen kwijtscheldingsbesluit, anders dan appellante betoogt, niet ter toetsing voor. Appellante heeft tegen het besluit van 19 oktober 2017 immers geen rechtsmiddelen aangewend. Zij heeft ook niet om herziening daarvan verzocht. De door appellante aangehaalde uitspraak kan haar hier niet baten, omdat die juist ziet op herziening van het oorspronkelijke besluit, en niet op toetsing daarvan op de wijze die appellante in dit geval voorstaat. De beroepsgrond van appellante treft daarom geen doel.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt, zodat deze moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M. Buur