Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
17/3271 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant ten tijde hier in geding niet duurzaam gescheiden leefde van [naam A.]. De in de aangevallen uitspraak genoemde omstandigheden die tot dat oordeel van de rechtbank hebben geleid worden onderschreven. Levensvorm, waar nodig met onderlinge steun, duidt op een zodanige verbondenheid van appellant en [naam A.] dat van duurzaam gescheiden levende geregistreerde partners niet kan worden gesproken. De redelijke termijn is met bijna vijf maanden overschreden en die overschrijding heeft geheel plaatsgevonden in de rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3271 TW

Datum uitspraak: 24 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2017, 16/955 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt een Wajong-uitkering. Appellant heeft op 11 augustus 2011 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd, waarbij hij als reden heeft vermeld dat zijn leefsituatie vanaf [datum 1] 2006 is gewijzigd van gehuwd naar alleenstaand. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 10 oktober 2011 met ingang van 11 augustus 2010 een toeslag van € 15,44 per maand toegekend.

1.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van een melding van de politie te [plaatsnaam 1] van 22 februari 2015 een onderzoek ingesteld naar het feitelijk woonadres van appellant.

In het kader van dit onderzoek heeft op 7 april 2015 een gesprek tussen een inspecteur van het Uwv en appellant plaatsgevonden. In een naar aanleiding van dit onderzoek door de inspecteur opgesteld rapport van 7 mei 2015 is vermeld dat appellant in de Gemeentelijke basisadministratie, thans Basisregistratie personen (Brp), ingeschreven staat op het adres [adres 1] en in Suwinet ook geregistreerd staat op het adres [adres 2] . Op dit laatste adres staan ook geregistreerd [naam A.] , geboren [geboortedatum A.] 1971, [naam B.] , geboren [geboortedatum B] 1999 en [naam C.] , geboren [geboortedatum C. ] 2003. In het rapport is verder vermeld dat appellant en [naam A.] in de persoonsregistratie op [datum 2] 2004 te [gemeente] geregistreerd zijn als gehuwd en dat er geen registratie is van een ontbinding van het huwelijk. In het rapport is aan de hand van de onderzoeksgegevens en van hetgeen appellant heeft verklaard geconcludeerd dat appellant regelmatig in de woning te [plaatsnaam 2] slaapt, van dit adres gebruik maakt bij diverse activiteiten, het huurcontract voor deze woning door hem is medeondertekend en dat hij nog steeds gehuwd is met [naam A.] , uit welk huwelijk kinderen zijn geboren en dat daarom sprake is van een gezamenlijke huishouding met [naam A.] in het kader van de TW.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 26 mei 2015 appellant in het kader van de TW met ingang van 11 augustus 2010 niet als alleenstaand, maar als gehuwd aangemerkt en bepaald dat hij daarom met ingang van die datum geen recht heeft op een alleenstaande-toeslag. De toeslag is met ingang van 11 augustus 2010 beëindigd. Van appellant is € 609,95 bruto aan ten onrechte uitbetaalde toeslag over de periode van 11 augustus 2010 tot en met 31 mei 2015 teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 18 september 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 mei 2015 ongegrond verklaard.

2.1.

Nadat appellant beroep had ingesteld tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 15 januari 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Het Uwv heeft het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2015, voor zover de toeslag per

11 augustus 2010 was beëindigd en over de periode van 11 augustus 2010 tot en met 31 mei 2015 was teruggevorderd, alsnog gegrond verklaard en beslist dat de toeslag met ingang van 1 juni 2015, de datum waarop de betaling van toeslag werd stopgezet, wordt beëindigd.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen procesbelang heeft bij de beoordeling van dit besluit. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank gegrond verklaard, omdat het Uwv zich in het verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat op en na 1 juni 2015 geen sprake is van duurzaam gescheiden leven terwijl het primaire besluit en bestreden besluit 1 zijn gebaseerd op het standpunt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van appellant met [naam A.] en appellant daarom als gehuwd moet worden aangemerkt. Gelet op het gewijzigde standpunt van het Uwv berust bestreden besluit 2 niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Uit het onderzoeksrapport van 7 mei 2015, het door appellant verklaarde tijdens het gesprek op 7 april 2015 en de hoorzitting van 21 augustus 2015, volgt dat hij regelmatig, soms ook meer dan vier dagen per week, in de woning van [naam A.] verblijft en dat hun gezamenlijke kinderen daar ook verblijven. Appellant behartigt ook de belangen van [naam A.] in een geschil met de woningcorporatie. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven, is samenwonen geen vereiste. Beoordeeld dient te worden of ieder van de echtgenoten afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander is gehuwd. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Uit de verklaring van appellant tijdens de hoorzitting van 21 augustus 2015 blijkt dat de situatie op 1 juni 2015 niet wezenlijk verschilde van de situatie zoals die blijkt uit het onderzoeksrapport. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant op 1 juni 2015 niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote [naam A.] .

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij op 1 juni 2015 was gehuwd. Appellant is op [datum 1] 1996 gehuwd met [naam A.] om de kinderen te erkennen en daarmee uithuisplaatsing van de kinderen te voorkomen. Toen dit niet meer nodig was, is getracht het huwelijk door middel van een flitsscheiding te ontbinden. Op [datum 2] 2004 is het huwelijk omgezet in geregistreerd partnerschap, maar wegens meerdere problemen is de flitsscheiding verder niet tot stand gekomen. Volgens appellant heeft de flitsscheiding zijn beslag gekregen in een beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 mei 2012, waarbij hij failliet werd verklaard. Daarnaast leefde appellant duurzaam gescheiden van [naam A.] . Hij heeft vanaf 1 maart 2011 feitelijk bij zijn vriendin in [plaatsnaam 3] gewoond. Hij moet daarom als ongehuwd worden aangemerkt. Verder heeft appellant verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO6231. De situatie in die uitspraak is vergelijkbaar aan zijn situatie. Ter zitting heeft appellant nog naar voren gebracht dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest, omdat [naam A.] niet is gehoord. Verder is ter zitting verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 1, tweede lid, van de TW is bepaald dat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

a. echtgenoot: geregistreerde partner;

b. echtgenoten: geregistreerde partners;

c. gehuwd: als partner geregistreerd;

d. gehuwde: als partner geregistreerde.

In het derde lid, aanhef en onder b, is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.1.2.

In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder 1, van de TW, voor zover hier van belang, is bepaald dat recht op toeslag heeft een ongehuwde, die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, die per dag een inkomen heeft dat lager is dan € 52,05.

4.1.3.

In artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de TW, voor zover hier van belang, is bepaald dat het Uwv een besluit tot toekenning van toeslag herziet of intrekt

indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag of indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4.2.

Vastgesteld wordt dat noch uit de Brp noch uit andere gegevens blijkt dat het op [datum 2] 2004 omgezette huwelijk in geregistreerd partnerschap is ontbonden. Appellant moet dus als gehuwde in de zin van de TW worden aangemerkt. Daarvan uitgaande staat in dit geding ter beoordeling of appellant op 1 juni 2015 toch als ongehuwde in de zin van de TW moet worden aangemerkt. Daarvan is sprake indien hij op 1 juni 2015 duurzaam gescheiden leefde van [naam A.] .

4.3.

In zijn uitspraak van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3018, heeft de Raad zijn vaste rechtspraak over de beoordeling van duurzaam gescheiden leven herhaald. Volgens die

rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven eerst sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden. Eveneens volgens die rechtspraak kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van het huwelijk de betrokkenen de intentie hebben – al dan niet op termijn – een echtelijke samenleving aan te gaan, maar dat niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om duurzaam gescheiden leven aan te nemen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven niet relevant.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant ten tijde hier in geding niet duurzaam gescheiden leefde van [naam A.] . De in de aangevallen uitspraak genoemde omstandigheden die tot dat oordeel van de rechtbank hebben geleid worden onderschreven. Dat appellant ook elders dan in [plaatsnaam 2] verbleef is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Appellant heeft immers diverse keren verklaard dat hij altijd – nu en in het verleden – zeer regelmatig bij [naam A.] te [plaatsnaam 2] verblijft. Appellant heeft blijkens het verslag van het gesprek van 7 april 2015 aan de inspecteur van het Uwv verklaard dat hij de levensvorm die hij heeft met [naam A.] en de gezamenlijke kinderen ziet als een levensvorm waarin, waar nodig, onderlinge steun gegeven wordt. Deze feiten en omstandigheden, in aansluiting en samenhang gezien met wat in de aangevallen uitspraak is overwogen duiden op een zodanige verbondenheid van appellant en [naam A.] dat van duurzaam gescheiden levende geregistreerde partners niet kan worden gesproken. De grief dat [naam A.] ten onrechte niet is gehoord door het Uwv, kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds op de grond dat appellant bovenstaande feiten en omstandigheden, zoals uit het onderzoeksverslag en de door appellant zelf vermelde gegevens blijkt, niet betwist.

4.5.

De omstandigheden in onderhavige zaak zijn niet vergelijkbaar met de omstandigheden in de uitspraak van 19 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO6231. Anders dan in het geval in die uitspraak is appellant na sluiting van het huwelijk met [naam A.] in 1996 gaan samenwonen en hebben zij kinderen gekregen. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat hun intentie niet was gericht op een samenleving op enige termijn.

4.6.

Wat hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten van het vernietigde besluit waarbij het Uwv de alleenstaande-toeslag met ingang van 1 juni 2015 heeft beëindigd. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.

5.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraakvan de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.3.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 29 mei 2015 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna vijf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv minder dan een half jaar geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna vijf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-.

5.4.

De overschrijding heeft geheel plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Dit betekent dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

6. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep in verband met overschrijding van de redelijke termijn, waarbij wordt volstaan met toekenning van 1 punt voor de behandeling ter zitting met toepassing van een wegingsfactor van 0,5. De kosten in hoger beroep worden begroot op € 256,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een vergoeding van

schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant

tot een bedrag van € 256,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E. Dijt en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

KS