Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3413

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
19/1284 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2019:4043. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2019:4042, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1284 WIA

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 12 februari 2019

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 5 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3885, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 oktober 2016 vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 12 februari 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juli 2015 ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Namens appellant is verschenen mr. Schoonbrood. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij de uitspraak van 5 december 2018 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van 17 november 2015 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de Raad geoordeeld dat dit besluit niet op een deugdelijke motivering berust, omdat een onderbouwing ontbreekt welk mogelijk resultaat deelname aan een multidisciplinair revalidatietraject in de individuele situatie van appellant zou kunnen opleveren.

1.2.

Na de uitspraak van 5 december 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 29 januari 2019 een nadere onderbouwing gegeven over de behandelmethoden bij een multidisciplinaire revalidatie en de effecten daarvan voor appellant. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebruik gemaakt van het verzekeringsgeneeskundige protocol aspecifieke lage rugklachten en de in de medische literatuur beschreven behandelmethoden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant reeds in juni 2015 door zijn huisarts is verwezen voor een multidisciplinaire revalidatie en dat ook de behandelend orthopeed in een later stadium deze verwijzing heeft gedaan, maar dat appellant dit advies beide keren in de wind heeft geslagen. Indien appellant gehoor had gegeven aan de geadviseerde multidisciplinaire revalidatie, zo blijkt uit het protocol aspecifieke lage rugklachten en de medische literatuur, zou hij geleerd hebben om beter om te gaan met de klachten, zijn conditie hebben opgebouwd, een hoger activiteitenniveau hebben bereikt en zouden zijn beperkingen ten aanzien van statische en dynamische handelingen minder zijn geworden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep berust het niet deelnemen aan een multidisciplinaire revalidatie niet op een ziekte of gebrek maar op gedrag en motivatie. Om deze redenen voldoet appellant niet aan de voorwaarden voor IVA-uitkering. Het Uwv heeft vervolgens, onder verwijzing naar dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bestreden besluit genomen.

2.1.

Appellant heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 29 januari 2019 onvoldoende heeft onderbouwd welk resultaat in verbetering van zijn belastbaarheid te verwachten is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte gesteld dat appellant het advies van de huisarts en de orthopeed in de wind heeft geslagen. Appellant heeft, gelet op de brief van de behandelend revalidatiearts van

7 december 2015, aan de doorverwijzing in augustus 2015 door de polikliniek orthopedie van het ziekenhuis Zuyderland naar de revalidatieafdeling van dat ziekenhuis wel degelijk gevolg gegeven. Dit traject is echter beëindigd omdat daarin naar het inzicht van de revalidatiearts geen meerwaarde werd gezien. Appellant heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze informatie van de revalidatiearts onvoldoende heeft meegewogen als persoonlijke omstandigheid bij de kansen op verbetering. Hierdoor heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verzuimd inzichtelijk te maken wat de concrete inschatting is van de kansen van appellant op herstel in het eerste jaar na datum in geding, net als in de periode daarna. Appellant stelt zich dan ook op het standpunt dat er geen verbetermogelijkheden zijn, dat bij hem sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid en dat hem ten onrechte geen

IVA-uitkering is toegekend.

2.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 januari 2019, ongegrondverklaring van het beroep bepleit. Er bestond voor appellant op de datum van geding de mogelijkheid een multidisciplinaire behandeling te volgen die zou kunnen leiden tot een vermindering van de beperkingen. Dat appellant het voorgestelde traject niet heeft gevolgd, kan volgens het Uwv geen reden zijn om hem

IVA-uitkering toe te kennen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

In geschil is of de op de datum in geding, 17 juli 2015, vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid van appellant ook geacht moet worden duurzaam te zijn, zodat appellant met ingang van die datum in aanmerking komt voor een IVA‑uitkering in plaats van een WGA‑uitkering. Gelet op de uitspraak van 5 december 2018 staat thans ter beoordeling of het bestreden besluit van 12 februari 2019 wel onderbouwing heeft gegeven van het mogelijke resultaat van een multidisciplinair revalidatietraject in de individuele situatie van appellant.

3.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 29 januari 2019 ten onrechte gesteld dat appellant de verwijzing van zijn behandelend orthopeed voor een multidisciplinair revalidatietraject in de wind heeft geslagen. Uit de brief van de revalidatiearts van het Zuyderland ziekenhuis van 7 december 2015 blijkt immers dat appellant daar op 24 november 2015 op het spreekuur is geweest. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv verklaard dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zo moet worden begrepen dat deze op basis van deze brief van de revalidatiearts heeft geconcludeerd dat er een gebrek aan motivatie was bij appellant om aan een multidisciplinaire revalidatie deel te nemen. Echter, nog daargelaten dat deze brief in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden genoemd of geciteerd, heeft de revalidatiearts in zijn brief niets vermeld over een gebrek aan motivatie bij appellant. De opmerking van de revalidatiearts dat appellant omgaat met zijn pijnklachten en ermee heeft leren leven is onvoldoende om een gebrek aan motivatie uit af te leiden. Het had op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen om de revalidatiearts op dat punt nader te bevragen indien hij een gebrek aan motivatie vermoedde. Gelet op het vorenstaande is met het rapport van 29 januari 2019 nog steeds niet onderbouwd welk mogelijk resultaat een multidisciplinair revalidatietraject in de individuele situatie van appellant zou kunnen opleveren.

3.3.

Wat in 3.1 en 3.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Dit betekent dat het beroep van appellant slaagt. Het bestreden besluit zal worden zal worden vernietigd. Nu ook na de uitspraak van de Raad van

5 december 2018 een deugdelijke motivering niet is gegeven moet er thans van worden uitgegaan dat deze niet meer kan worden gegeven. Gelet hierop en de duur van de procedure zal het besluit van 17 juli 2015 worden herroepen. De Raad ziet onder toepassing van artikel 8:72, derde lid en onder b, van de Awb aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat appellant met ingang van 17 juli 2015 recht heeft op een IVA‑uitkering.

3.4.

Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van

25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:1958.

4. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 februari 2019;

- herroept het besluit van 17 juli 2015 en bepaalt dat appellant met ingang van 17 juli 2015 in
aanmerking komt voor een IVA-uitkering;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 12 februari 2019;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente, zoals in overweging 3.4 van deze
uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2019.

(getekend) E. Dijt

(getekend) E. Diele

CVG