Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3408

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
18/452 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of de rechtbank terecht de door haar geraadpleegde deskundige heeft gevolgd. De deskundige was, nu hij ten tijde van de expertise was geregistreerd als arts in het BIG-register, en voorheen ingeschreven is geweest als neuroloog, op grond van hoofdstuk 4 van de KNMG-WMSR Richtlijn bevoegd om een expertiserapport uit te brengen. Terecht oordeel rechtbank dat deskundige zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Geen reden voor twijfel aan de belastbaarheid, vastgesteld in de FML van 4 februari 2016. Voorbeeldfuncties zijn in medisch opzicht voor appellante geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/547 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 452 WIA

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 december 2017, 16/2040 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 9 september 2019 de hogerberoepsgronden aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als doktersassistente voor 32 uur per week. Op 30 december 2013 heeft appellante zich ziek gemeld met klachten na een val. Er was ook sprake van rug- en heupklachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 oktober 2015.

1.2.

Bij besluit van 6 november 2015 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van

28 december 2015 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat zij 104 weken niet heeft kunnen werken in verband met ziekte.

1.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 4 februari 2016 op basis van eigen onderzoek van appellante en in bezwaar verkregen medische informatie de FML op enkele onderdelen gewijzigd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 7,55% bedraagt. Bij besluit van 10 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2015 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 28 december 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft neuroloog G.K. van Wijngaarden als deskundige benoemd. Deze arts heeft op 14 maart 2017 een rapport uitgebracht, waarin hij heeft geconcludeerd dat hij kan instemmen met de FML van 4 februari 2016. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de KNMG-WMSR Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband (KNMG-WMSR Richtlijn), overwogen dat de deskundige als arts, voorheen ingeschreven als neuroloog, bevoegd is neurologisch-specialistische expertises te verrichten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het rapport van de deskundige van onvoldoende kwaliteit te achten. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daarbij alle voorhanden medische informatie heeft betrokken. Op grond van het rapport van de deskundige heeft de rechtbank geconcludeerd dat het Uwv de FML van 4 februari 2016 als uitgangspunt kon nemen. Ook heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Er is onvoldoende rekening gehouden met haar pijnklachten. Appellante is van mening dat het onderzoek van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige niet gevolgd kan worden omdat deze deskundige onvoldoende gekwalificeerd en gecertificeerd is. Zij heeft gewezen op de gevorderde leeftijd van de deskundige en het feit dat de deskundige ten tijde van het onderzoek niet in het BIG-register was geregistreerd als specialist. Appellante stelt dat hierdoor niet is na te gaan of het onderzoek aan de daaraan te stellen eisen voldoet en zij heeft de Raad verzocht een andere deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 28 december 2015 minder dan 35% bedraagt.

4.2.

In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of de rechtbank terecht de door haar geraadpleegde deskundige heeft gevolgd. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen en dat slechts in bijzondere gevallen aanleiding bestaat daarvan af te wijken. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat zich in dit geval dergelijke bijzondere omstandigheden niet voordoen. De deskundige was, nu hij ten tijde van de expertise was geregistreerd als arts in het BIG-register, en voorheen ingeschreven is geweest als neuroloog, op grond van hoofdstuk 4 van de KNMG-WMSR Richtlijn bevoegd om een expertiserapport uit te brengen. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het rapport van de deskundige blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek, waarbij de medische informatie uit het dossier is betrokken en appellante lichamelijk is onderzocht. De Raad ziet gelet op het voorgaande geen aanknopingspunten voor twijfel aan de kwalificaties van de deskundige voor het uitvoeren van een expertise of voor het oordeel dat het rapport niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

4.3.

Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat er geen reden is om te twijfelen aan de belastbaarheid zoals door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld in de FML van 4 februari 2016. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken ingediend waardoor twijfel ontstaat aan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Er is dan ook geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen.

4.4.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de voorbeeldfuncties in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Gelet op dit oordeel bestaat geen grond tot veroordeling van schadevergoeding, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2019.

(getekend) E. Dijt

(getekend) E. Diele

OS