Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
18/1120 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:357, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand voor babypakket. Geen bijzondere omstandigheden. Toepassen van het beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1120 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2018, 18/37 en 18/35 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BAMA, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Tevens is verschenen als tolk [naam tolk]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 24 april 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het eerste kind van appellante is geboren op [geboortedatum 1] 2015.

1.2.

Appellante heeft op 25 juli 2017 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een babypakket voor haar tweede kind, dat is geboren op [geboortedatum 2] 2017. Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.3.

Op 25 augustus 2017 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een babyuitzet, eveneens voor haar tweede kind. Bij besluit van 18 oktober 2017 heeft het college die aanvraag ook afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 22 december 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 3 augustus 2017 en 18 oktober 2017 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten voor een babypakket en een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende kosten van het bestaan die uit het inkomen dienen te worden bestreden. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Hiervan is in het geval van appellante geen sprake.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. Het inkomen van appellante lag op bijstandsniveau en was daarom ontoereikend om in de kosten te voorzien of daarvoor te reserveren. Daarnaast is de eerdere aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor een babyuitzet voor haar eerste kind in strijd met het gevoerde beleid afgewezen. Gelet op dat beleid had het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van een babyuitzet voor haar tweede kind moeten toewijzen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.2.

De kosten van een babypakket en babyuitzet betreffen incidentele algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Niet in geschil is dat deze kosten zich voordoen. Ook als voor het maken van deze kosten een objectieve noodzaak bestaat – zoals hier evenmin in geschil is – kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3.

De rechtbank heeft juist geoordeeld dat van zodanige bijzondere omstandigheden in dit geval geen sprake was. Appellante ontvangt vanaf 24 april 2014, dus ruim drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf het moment dat appellante zwanger was van haar tweede kind, kon zij voorzien dat zij kosten zou moeten maken. Zij had dan ook voor deze kosten kunnen reserveren, dan wel die kunnen betalen door middel van gespreide betaling achteraf. Hieraan kan niet afdoen dat appellante als enige bron van inkomsten een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder heeft. Die uitkering moet, gelet op wat in 4.2 is overwogen, toereikend worden geacht.

4.4.

Het college voert met betrekking tot de toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van een babyuitzet – naar niet in geschil is – de als beleid te kwalificeren vaste gedragslijn dat deze kosten alleen voor het eerste kind worden vergoed. Voor het tweede of volgende kind wordt in principe geen bijzondere bijstand voor een babyuitzet verstrekt, omdat de spullen dan vaak nog aanwezig zijn. Anders dan appellante aanvoert valt hieruit niet af te leiden dat het college een aanvraag voor de kosten van een babyuitzet ten aanzien van het eerste kind altijd zonder meer toewijst. De omstandigheid dat het college de aanvraag van appellante voor haar eerste kind niet heeft toegewezen, kan dan ook op geen enkele manier het college nopen om op grond van deze gedragslijn de aanvraag voor het tweede kind zonder meer toe te wijzen. De gedragslijn dat het college een aanvraag voor een tweede kind in principe afwijst, is hier niet toegepast. Immers, in overeenstemming met artikel 35, eerste lid, van de PW, is bezien of in de situatie van appellante ten tijde van de aanvraag voor haar tweede kind sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan. Appellante is hierdoor niet benadeeld. De beroepsgrond van appellante treft daarom geen doel.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt, zodat deze moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M. Buur