Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
18/3316 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling boetes. CAK was op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw gehouden om appellant een boete op te leggen omdat hij niet (tijdig) heeft voldaan aan de aanmaning om een zorgverzekering af te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3316 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 mei 2018, 17/3705 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.

Namens appellant heeft zijn moeder [naam moeder] hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019. Namens appellant zijn [naam moeder] en [naam vader] (vader van appellant) verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds januari 2015 gedetineerd in Spanje.

1.2.

Op 18 maart 2016 heeft CAK appellant schriftelijk aangemaand om een zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) af te sluiten. Daarbij heeft CAK appellant erop gewezen dat hem een boete wordt opgelegd als hij zich niet binnen drie maanden heeft verzekerd.

1.3.

CAK heeft bij besluit van 25 oktober 2016 aan appellant een boete van € 366,99 opgelegd omdat hij niet binnen de termijn van drie maanden een zorgverzekering had afgesloten. In dat besluit heeft CAK erop gewezen dat appellant na drie maanden een tweede boete wordt opgelegd als hij zich niet binnen een nieuwe termijn van drie maanden heeft verzekerd.

1.4.

Bij besluit van 1 februari 2017 heeft CAK aan appellant een tweede boete van € 382,50 opgelegd omdat hij nog steeds geen zorgverzekering had afgesloten. Verder is appellant erop gewezen dat CAK namens hem een zorgverzekering zal afsluiten indien hij zich niet binnen drie maanden alsnog zelf verzekert.

1.5.

CAK heeft de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 25 oktober 2016 en 1 februari 2017 bij twee afzonderlijke besluiten van 13 april 2017 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, deze bestreden besluiten vernietigd, de besluiten van 25 oktober 2016 en 1 februari 2017 herroepen en de door CAK opgelegde boetes lager vastgesteld.

2.2.

Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat CAK op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw gehouden was om appellant een boete op te leggen omdat hij niet (tijdig) heeft voldaan aan de aanmaning om een zorgverzekering af te sluiten. Dat op grond van artikel 24 van de Zvw de aanspraken en de premieplicht op grond van de zorgverzekering met ingang van 1 juli 2016 van rechtswege waren opgeschort gedurende de periode dat een verzekerde buiten Nederland gedetineerd was, maakt dat niet anders. De regeling ziet op een situatie waarbij een zorgverzekering is afgesloten door de gedetineerde en waarbij de rechten en plichten die voortvloeien uit die zorgverzekering gedurende de detentie worden opgeschort. In het geval van appellant is echter geen zorgverzekering afgesloten.

2.3.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de beboete gedragingen niet aan appellant kunnen worden verweten, als bedoeld in artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht. CAK heeft appellant meerdere keren bericht dat hij een zorgverzekering moest afsluiten en appellant had zich nadat zijn aanvraag om een zorgverzekering af te sluiten door zorgverzekeraar Zekur was afgewezen tot een andere zorgverzekeraar kunnen wenden. Dat Zekur appellant wellicht verkeerd heeft voorgelicht inzake de opschorting van de premiebetaling, leidt niet tot een ander oordeel. Bij onbekendheid met de materie had appellant tijdig hulp kunnen inschakelen dan wel contact kunnen opnemen met CAK.

2.4.

De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een zeer bijzondere situatie die noopt tot matiging van de door CAK vastgestelde boete. Gelet op de zeer geringe draagkracht van appellant, de prikkel tot verzekering tegen ziektekosten en de berekeningsmethode van de boetes, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3134, de boetes vastgesteld op (ieder) € 160,-.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

Het betoog van appellant dat hij onvoldoende is geïnformeerd over een per 1 juli 2016 in artikel 24, tweede lid, van de Zvw neergelegde opschorting van rechten en plichten uit de zorgverzekering in geval van detentie buiten Nederland, leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten de juistheid van dit betoog, ook indien appellant over volledige informatie had beschikt, had hij tijdig een verzekering op grond van de Zvw moeten afsluiten en had hij in ieder geval voor 1 juli 2016 premie moeten betalen.

4.2.

Mede gelet op de ter zitting van de Raad besproken huidige ongewijzigde inkomenspositie van appellant, ziet de Raad geen aanleiding om de boetes op een ander bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.H. Koopman

IJ