Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
17/6109 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een verhuiskostenvergoeding. Gelet op de in het verleden verrichte aanpassingen aan de woning, zijn er geen belemmeringen die aan een normaal gebruik van de woning door appellant in de weg staan. Er is geen sprake geweest van een belangenverstrengeling tussen de rechter en het college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6109 WMO15

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 augustus 2017, 16/4750 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Bottema.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1954, is bekend met COPD en verscheidene lichamelijke klachten. In verband met zijn beperkingen heeft het college woonvoorzieningen aan appellant verstrekt. Ook heeft het college een scootmobiel en een rolstoel aan appellant verstrekt en is hij in aanmerking gebracht voor huishoudelijke hulp en begeleiding.

1.2.

Appellant heeft op 5 juli 2016, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, bij het college een aanvraag gedaan voor een verhuiskostenvergoeding.

1.3.

Bij besluit van 26 juli 2016, gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2016
(bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat geen noodzaak bestaat voor het toekennen van een verhuiskostenvergoeding. Gelet op de in het verleden verrichte aanpassingen aan de woning, zijn er geen belemmeringen die aan een normaal gebruik van de woning door appellant in de weg staan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank zijn zaak ten onrechte heeft beperkt tot de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding. Daarnaast heeft de behandelend rechter van de rechtbank hem onheus bejegend en was sprake van belangenverstrengeling tussen de rechter en het college. Dit blijkt uit de omstandigheid dat appellant moest aantonen dat hij ziek is, terwijl dit al jaren bekend is. Ten slotte heeft appellant gevraagd om toekenning van schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank zich beperkt tot het geven van een oordeel over de afwijzing van de door appellant aangevraagde verhuiskostenvergoeding, omdat het bestreden besluit uitsluitend op dit punt een beslissing van het college bevat.

4.2.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor appellant geen noodzaak bestaat om te verhuizen. De behandelend rechter van de rechtbank heeft appellant de gelegenheid geboden om nader te onderbouwen dat gezien zijn medische situatie zijn woning niet meer toereikend zou zijn en dat wél een noodzaak bestaat om te verhuizen. Ter zitting bij de rechtbank is appellant hiermee akkoord gegaan. Anders dan appellant heeft gesteld, betekent dit niet dat hij moest bewijzen dat hij ziek is, maar dat hem gelegenheid is geboden om nader te onderbouwen dat hij vanwege zijn ziekte belemmerd wordt in het normale gebruik van zijn woning. Ook kan hieruit niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een belangenverstrengeling tussen de rechter en het college. Van een onheuse bejegening door de rechter is evenmin gebleken. Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd, richt zich niet tegen het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel en kan dan ook niet tot vernietiging van die uitspraak leiden.

4.3.

Wat is overwogen in 4.1 en 4.2 betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit oordeel brengt mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2019.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md