Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
17/3272 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel in vorm van verlaging op de AIO-aanvulling. Appellant heeft de woning in het buitenland laten overschrijven op naam van zijn zoon. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De taxatie van Attaché Sociale Zaken kan gevolgd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3272 PW

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

13 maart 2017, 16/6342 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.B. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift en nadere reacties ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 oktober 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande in aanvulling op zijn onvolledig ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Vanaf 1 juli 2009 heeft de Svb de bijstandsverlening voortgezet in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de Svb de AIO-aanvulling ingetrokken en over de periode van juli 2009 tot en met september 2014 tot een bedrag van € 23.990,32 van appellant teruggevorderd, omdat het vermogen van appellant hoger was dan de voor hem geldende vermogensgrens. Gebleken is dat appellant sinds 1971 eigenaar is van een perceel met woning te Paramaribo in Suriname (woning). De waarde van de woning is in mei 2013 getaxeerd op € 77.800,-. In hoger beroep heeft de Raad deze besluitvorming in stand gelaten (uitspraak van 20 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2441). Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat appellant volledig eigenaar was van de woning.

1.3.

Appellant heeft zich op 28 september 2015 gemeld om opnieuw een AIO-aanvulling aan te vragen. Vervolgens heeft hij de aanvraag ingediend. Bij brief van 2 november 2015 heeft de Svb appellant verzocht om aanvullende informatie over zijn vermogen te verstrekken. Appellant heeft op 22 december 2015 meegedeeld dat hij niet langer over vermogen beschikt. Hij heeft daarbij een akte van scheiding en deling van 14 september 2015 overgelegd, waarbij de woning op naam is gesteld van zijn zoon.

1.4.

Bij besluit van 8 maart 2016 heeft de Svb appellant met ingang van 28 september 2015 een AIO-aanvulling toegekend.

1.5.

Bij afzonderlijk besluit van 8 maart 2016 heeft de Svb appellant een maatregel opgelegd van € 1.295,76, in die zin dat gedurende een jaar maandelijks een bedrag van € 107,98 op de AIO-aanvulling wordt ingehouden.

1.6.

Bij besluit van 23 juni 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de bij het besluit van 8 maart 2016 opgelegde maatregel ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant kort voor de aanvraag vermogen heeft geschonken aan anderen. Door dit vermogen niet te gebruiken voor zijn levensonderhoud heeft appellant onverantwoord ingeteerd op zijn vermogen en is sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De waarde van de woning is in mei 2013 vastgesteld op € 77.800,-. Na aftrek van de vordering van de Svb van

€ 23.990,32 en de vermogensvrijstelling AIO van € 5.895,- blijft een vermogen over van

€ 47.914,68. Appellant had hier dertig maanden op moeten interen. Dit wordt op grond van het beleid beperkt tot twaalf maanden. De hoogte van de maatregel is 10% van de alleenstaandennorm (€ 107,98) maal twaalf maanden, dus totaal € 1.295,76.

1.7.

Nadat appellant beroep had ingesteld, heeft de Svb het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Paramaribo verzocht om te onderzoeken of de woning in september 2015 dezelfde waarde had als in mei 2013. In opdracht van de Attaché

Sociale Zaken heeft een taxateur het onderzoek verricht en in het op 16 september 2016 opgestelde rapport Verificatieonderzoek-Waardebepaling (rapport waardebepaling) geconcludeerd dat de woning in september 2015 dezelfde waarde had als in mei 2013, te weten € 77.800,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank mede op basis van het rapport waardebepaling het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de door de Svb gehanteerde waarde van de woning is gebaseerd op een onjuiste taxatie. In het in hoger beroep door appellant overgelegde taxatierapport van

18 april 2017 is de waarde van de woning vastgesteld op € 36.675,-. Daarbij is naast de buitenkant ook de binnenkant van de woning geïnspecteerd, waarbij is gebleken dat de woning in een slechte staat verkeert en toe is aan een grote renovatie. Gelet op de lagere waarde van de woning moet ook de maatregel lager worden vastgesteld. Na aftrek van de vordering van de Svb en de vermogensvrijstelling resteert een vermogen van € 6.789,68. Appellant zou hier vier maanden op moeten interen, zodat de maatregel ten hoogste vier maal

€ 107,98, in totaal € 431,92 kan bedragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de onder 1.2 genoemde uitspraak van de Raad van 20 juni 2017 staat in rechte vast dat appellant tot 14 september 2015 volledig eigenaar was van de woning in Suriname. Niet in geschil is dat appellant de woning op 14 september 2015 zonder tegenprestatie heeft laten overschrijven op naam van zijn zoon.

4.2.

In geschil is de waarde van de woning op 14 september 2015.

4.3.

Appellant heeft met het door appellant overgelegde taxatierapport van 18 april 2017 niet aannemelijk gemaakt dat het in opdracht van de Attaché Sociale Zaken opgemaakte rapport waardebepaling onzorgvuldig tot stand is gekomen. De omstandigheid dat de taxateur op 16 september 2016 niet in de woning is geweest, betekent niet dat de taxatie daarom onzorgvuldig is uitgevoerd. Uit het rapport waardebepaling blijkt dat de taxateur wist dat het om een zogenoemde [X-woning] ging, die grotendeels uit hout bestaat. Verder ziet de door appellant overgelegde taxatie op de situatie zoals die was op 18 april 2017 en is niet ingegaan op de situatie op 14 september 2015. Nu niet duidelijk is of de woning ook op

14 september 2015 al in slechte staat verkeerde, kan aan de taxatie van 18 april 2017 niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) F. Demiroğlu

md