Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
17/664 PW e.v.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aanvraag om een inkomenstoeslag is terecht afgewezen omdat appellant gelet op zijn persoonlijke omstandigheden uitzicht had op inkomensverbetering. Geen recht op rente over de nabetaling van de bijstand in verband met het verzoek om vrijlating van inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 664 PW, 17/665 PW, 17/666 PW

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2016, 16/1337 en 16/2163 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouder van als Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018. Namens appellanten is verschenen mr. Van Asperen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 20 november 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.1.

Appellant had sinds 7 juli 2008 een arbeidsovereenkomst op oproepbasis voor onbepaalde tijd bij [naam bedrijf 1] te [X.] ([naam bedrijf 1]). Daarnaast had hij vanaf 1 januari 2015 bij [naam bedrijf 2] te [Y.] ([naam bedrijf 2]) een arbeidsovereenkomst op oproepbasis voor bepaalde tijd tot en met 30 juni 2015. Appellant heeft in de periode van september 2014 tot en met februari 2015 inkomsten gehad uit werkzaamheden die hij heeft verricht voor [naam bedrijf 1] en/of de [naam bedrijf 2]. Het college heeft deze inkomsten in mindering gebracht op de bijstand van appellanten.

1.2.2.

[naam bedrijf 1] heeft appellant bij brief van 1 maart 2015 laten weten dat het dienstverband van appellant met ingang van 1 maart 2015 wordt beëindigd wegens een verslechtering van de economische situatie. De [naam bedrijf 2] heeft appellant bij brief van 1 maart 2015 laten weten dat het dienstverband met appellant per die datum wordt beëindigd omdat er geen werk meer was voor appellant.

1.3.1.

Appellanten hebben op 7 januari 2015 een individuele inkomenstoeslag (toeslag) aangevraagd. Bij besluit van 5 maart 2015 heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen op de grond dat appellanten niet voldoen aan de voorwaarden voor een toeslag omdat appellant uitzicht op inkomensverbetering heeft.

1.3.2.

Na gemaakt bezwaar tegen dit besluit heeft het college tijdens de hoorzitting de volgende toelichting gegeven op zijn standpunt dat appellant uitzicht op inkomensverbetering heeft. De toekenning van de toeslag is gekoppeld aan de zogeheten ‘Participatieladder’ met een indeling in treden plus het vaststellen van de groeipotentie. Voor appellant geldt de indeling in trede 5 - “betaald werk met ondersteuning” - en groeipotentie. Een dergelijke indeling impliceert dat de betrokkene geen recht heeft op een toeslag.

1.3.3.

De bezwaarschriftencommissie heeft op 2 juli 2015 advies uitgebracht over het bezwaar van appellanten. Dit advies luidt, kort weergegeven, als volgt. Of de aanvrager geen uitzicht heeft op inkomensverbetering dient het college te beoordelen aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval. Deze beoordeling is in het geval van appellanten nergens terug te vinden. Het besluit van 5 maart 2015 geeft geen blijk van individueel maatwerk, zoals in de memorie van toelichting bij artikel 36 van de PW is voorgeschreven. Welke criteria bij de tredebepaling worden gehanteerd, welke motivering hieraan ten grondslag ligt en welke afweging wordt gemaakt, is niet inzichtelijk. De conclusie is dan ook dat onvoldoende is gemotiveerd waarom appellanten niet in aanmerking komen voor de toeslag. Geadviseerd wordt een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het advies.

1.3.4.

Op 6 oktober 2015 heeft een medewerker van de gemeente Hoogezand-Sappemeer een rapportage ‘tredebepaling’ van (rapportage) opgesteld. In deze rapportage staat onder meer het volgende. Appellant heeft de inburgering vlot doorlopen en pikt dingen snel op. Tijdens zijn inburgering heeft hij werk gevonden bij een vriend van hem. In 2009 heeft appellant zijn taxipas behaald. Omdat de arbeidsmarkt destijds niet gunstig was, is het niet tot taxiwerk gekomen. Appellant was volledig beschikbaar voor werk en had geen belemmeringen om aan het werk te gaan. Daarnaast is appellant gemotiveerd om te gaan werken. Appellant is ingedeeld in trede 5, omdat sprake is van een arbeidsrelatie waarbij het arbeidsinkomen wordt aangevuld met bijstand. Op grond van dit werk, de ervaring die appellant daarin heeft opgedaan en nog doet, zijn motivatie en zijn positieve inzet, bestaat de verwachting dat appellant binnen één jaar met minder of mogelijk zonder ondersteuning (meer) kan werken en/of mogelijk geheel kan uitstromen. In 2013 heeft appellant nog een parttime baan geaccepteerd bij [naam bedrijf 3] op basis van een nulurencontract. Dit contract liep tot 1 augustus 2014. Ook deze baan heeft appellant zelf bemachtigd. In januari 2015 vindt appellant op eigen kracht nog een oproepbaan bij de [naam bedrijf 2]. [naam bedrijf 1] en de [naam bedrijf 2] hebben schriftelijk laten weten dat zij het dienstverband met appellant per 1 maart 2015 beëindigen. Beide arbeidsovereenkomsten zijn niet rechtsgeldig opgezegd, zodat appellant nog steeds twee arbeidscontracten heeft. Voorts is er nog steeds een grote uitstroommogelijkheid naar regulier werk. Appellant loopt vier weken stage bij een koeriersbedrijf in Duitsland. Dit bedrijf is tevreden en de intentie is om appellant in dienst te nemen.

1.3.5.

Bij besluit van 18 februari 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2015 gegrond verklaard, in die zin dat de motivering van dat besluit is gewijzigd. De afwijzing is echter wel gehandhaafd. Aan bestreden besluit 1 heeft het college, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft uitzicht op inkomensverbetering. De verwachting bestaat dat appellant binnen een jaar zonder of met minder bijstand kan werken. De krachten en bekwaamheden van appellant en diens werkervaring zijn hierbij meegewogen. Appellant heeft een positieve werkhouding, is gemotiveerd om te (gaan) werken en heeft daarnaast, gelet op zijn dienstverbanden met [naam bedrijf 1], de [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3], ruime werkervaring. Appellant is goed bemiddelbaar.

1.4.1.

In een aanvullend bezwaarschrift van 8 september 2015 tegen een drietal besluiten die in deze procedure niet voorliggen, heeft appellant het college erop geattendeerd dat zijn inkomsten uit parttime werk niet gedeeltelijk zijn vrijgelaten. Bij besluit van

17 december 2015 (vrijlatingsbesluit) heeft het college appellanten bericht dat zij over de periode van 1 september 2014 tot 1 maart 2015 recht hebben op een vrijlating van 25% van deze inkomsten. Het college heeft voor deze periode gekozen omdat appellant dan, gezien het inkomen dat hij heeft verdiend, het maximale uit zijn vrijlating haalt. De totale vrijlating van appellant is vastgesteld op € 459,74, zijnde 25% van het totale inkomen van € 1.838,95 over genoemde periode.

1.4.2.

Appellanten hebben in bezwaar tegen dit besluit aangevoerd dat het college heeft verzuimd wettelijke rente toe te kennen over het na te betalen bedrag en hebben verzocht dit alsnog te doen.

1.4.3.

Bij besluit van 13 april 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het vrijlatingsbesluit ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten geen aanspraak hebben op vergoeding van wettelijke rente, omdat het college het bedrag van € 459,74 binnen zes weken na het vrijlatingsverzoek aan appellant heeft overgemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden, zoals ter zitting gehandhaafd, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond zijn verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Individuele inkomenstoeslag (16/1337)

4.1.

Artikel 36, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in

artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag kan verlenen. Ingevolge het tweede lid van artikel 36 van de PW worden tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval gerekend: a. de krachten en bekwaamheden van de persoon en b. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

4.2.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat appellanten langdurig een laag inkomen hebben gehad. Uitsluitend in geschil is of het criterium “geen uitzicht op inkomensverbetering” hier van toepassing is, waarbij het alleen gaat om de situatie van appellant. Appellanten hebben aangevoerd dat appellant geen uitzicht op inkomensverbetering had, omdat de inkomensverbetering zich in de praktijk niet heeft voorgedaan, terwijl deze ook niet was te verwachten, gelet op de afkomst, achtergrond, opleiding, krachten en bekwaamheden en het arbeidsverleden van appellant. Dat appellant heeft gewerkt, is daartoe onvoldoende.

4.3.

Het college heeft bij de beoordeling van het uitzicht op inkomensverbetering terecht de krachten en bekwaamheden van appellant en diens werkervaring betrokken. Gelet op wat daarover is opgenomen in de onder 1.3.4 vermelde rapportage, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant niet voldoet aan het criterium “geen uitzicht op inkomensverbetering”. Dat achteraf bezien deze inkomensverbetering niet is gerealiseerd, doet er niet aan af dat appellant daar wel uitzicht op heeft gehad, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn krachten en bekwaamheden, werkervaring en positieve werkhouding. De enkele, niet onderbouwde verwijzing naar afkomst, achtergrond, opleiding, krachten en bekwaamheden en arbeidsverleden van appellant, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat dit uitzicht er niet was.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat de onder 4.2 opgenomen beroepsgrond niet slaagt.

Wettelijke rente (16/2163)

4.5.

Appellanten hebben aangevoerd dat het college over het nabetaalde bedrag wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat appellant in september 2014 een aanvang heeft gemaakt met zijn parttime werkzaamheden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Nadat appellant hem daarop had geattendeerd, heeft het college in december 2015 alsnog besloten - met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de PW (vrijlatingsbepaling) - een gedeelte van de inkomsten die appellant heeft gehad in de periode van september 2014 tot en met februari 2015 vrij te laten tot een bedrag van in totaal € 459,74. Vaststaat dat het college dit bedrag vrijwel direct na het nemen van het besluit van 17 december 2015 heeft overgemaakt aan appellanten. Reeds om die reden is in dit geval geen sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 4:97 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat ingevolge artikel 4:98, eerste lid, van de Awb de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg heeft. Hierbij wordt nog aangetekend dat niet in geschil is dat het college op de voor appellanten meest gunstige wijze toepassing heeft gegeven aan de vrijlatingsbepaling.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en W.F. Claessens en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J.M.M. van Dalen

md