Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
17/7549 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van het besluit van 31 maart 2008. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten gemotiveerd toegelicht dat uit de door appellante ingebrachte gegevens niet kan worden afgeleid dat de medische situatie per 7 april 2008 onjuist is vastgesteld. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan bovenstaande conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7549 ZW

Datum uitspraak: 24 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland

van 18 oktober 2017, 16/4165 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft beroepsgronden en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 31 maart 2008 heeft het Uwv het ziekengeld van appellante op grond van de Ziektewet beƫindigd per 7 april 2008 omdat appellante per die datum geschikt werd geacht voor de laatst verrichte arbeid. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van
31 maart 2008 heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 23 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Haarlem heeft het beroep tegen het besluit van 23 juni 2008 bij uitspraak van 13 november 2008 ongegrond verklaard.

1.2.

In januari 2016 heeft appellante verzocht om terug te komen van het besluit van 31 maart 2008. Zij heeft aan haar verzoek medische stukken ten grondslag gelegd.

1.3.

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 31 maart 2008 omdat uit onderzoek van een verzekeringsarts is gebleken dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat het besluit van
31 maart 2008 onjuist is. Bij besluit van 9 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 maart 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard bij de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Uit de medische informatie van ruim na de datum in geding kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat de recente aandoeningen van appellante reeds op de datum in geding hebben geleid tot evidente arbeidsbelemmeringen. Wat appellante verder heeft aangevoerd, leidt volgens de rechtbank niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met de aangevallen uitspraak omdat uit de medische informatie kan worden afgeleid dat zij ten tijde van de datum in geding ziek was en niet in staat was om te werken. De diagnoses zijn later gesteld, maar de beperkingen waren in 2008 al aanwezig. De pijnklachten waren er al in 1998 en de psychische klachten zijn onderschat. Ter onderbouwing heeft appellante stukken ingebracht die zij in bezwaar ook heeft ingediend. Daarnaast heeft zij een afspraakbevestiging voor 18 december 2017 bij de anesthesioloog en een brief van de reumatoloog N. Duru-Yilmaz ingebracht.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 december 2017, bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aanvraag van appellante is een verzoek om terug te komen van het besluit van
31 maart 2008. De door appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep overgelegde medische gegevens zijn inhoudelijk bezien door de verzekeringsartsen van het Uwv. Deze hebben geconcludeerd dat de overgelegde medische gegevens geen reden geven om de medische beoordeling van destijds voor onjuist te houden, zodat er geen reden is om terug te komen van het besluit van 31 maart 2008.

4.2.

Nu een inhoudelijk-medische beoordeling van het Uwv voorligt met betrekking tot de vraag of de beschikbare medische gegevens aanleiding geven om terug te komen van het eerder genomen besluit van 31 maart 2008, zal aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden worden getoetst of dit standpunt in rechte kan standhouden.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten gemotiveerd toegelicht dat uit de door appellante ingebrachte gegevens niet kan worden afgeleid dat de medische situatie per 7 april 2008 onjuist is vastgesteld. Wat betreft de lichamelijke klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat in 2016 wordt gesproken over artrose van de knie, maar dat hieruit niet volgt dat er in april 2008 reeds sprake was van zodanige artrose dat daardoor relevante arbeidsbeperkingen aanwezig waren. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep werden evidente gewrichtsklachten, anders dan de nek en schouder, destijds niet door appellante gemeld. Uit de informatie van de orthopeed, neuroloog en chirurg uit 2015 blijkt dat de beenklachten van appellante pas circa zes maanden bestaan. Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat deze klachten in 2008 zijn herkend en gewogen. De enkele vermelding van een depressie in de probleemlijst van de huisarts in april 2008 geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende grond om aan deze weging te twijfelen. Uit deze diagnose kan niets over de ernst van de psychische situatie worden herleid. Pas in 2010 wordt een behandeling van appellante bij PsyQ beschreven, maar daarbij wordt gesproken van een aanpassingsstoornis en niet van een depressie.

4.4.

In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan bovenstaande conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door appellante overgelegde medische gegevens dateren van ruim na de datum in geding (7 april 2008). Uit die gegevens blijkt niet dat de daarin genoemde aandoeningen reeds op de datum in geding aanwezig waren en dat appellante als gevolg daarvan relevante beperkingen ondervond. Anders dan appellante heeft gesteld kan uit de overgelegde medische informatie daarom niet worden afgeleid dat de arts van het Uwv in april 2008 de medische situatie van appellante onjuist heeft ingeschat. In die gegevens heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien om terug te komen van het besluit van 31 maart 2008.

4.5.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) E.D. de Jong

KS