Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
18/5944 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Bezwaar tegen de betalingsspecificatie over de maand januari 2018 terecht niet-ontvankelijk verklaard in verband met het overschrijden van de bezwaartermijn. 2) Bezwaar tegen de betalingsspecificatie over de maanden februari 2018, maart 2018 en mei 2018 (en april 2018) terecht niet-ontvankelijk verklaard. De betaalspecificaties zijn niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien het herhalingen zijn. 3) Beslag op vakantietoeslag en loon. Niet gebleken dat het Uwv niet binnen het kader van het beslag is gebleven. Appellante kan haar bezwaren tegen de beslissing om beslag te leggen en de vaststelling van de beslagvrije voet desgewenst aan de civiele rechter voorleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5944 WIA, 18/5945 WIA, 18/5946 WIA, 18/5947 WIA, 18/5949 WIA

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 oktober 2018, 18/3585, 18/3586, 18/3587, 18/4304 en 18/4515 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] , zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft een viertal betalingsspecificaties van het Uwv ontvangen van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) die haar is betaald over de maanden januari, februari, maart en mei 2018. Uit deze specificaties blijkt dat de bruto-uitkering € 2.059,51 is. Op dit bedrag wordt in mindering gebracht een bedrag van

€ 596,67 aan loonheffing en een bedrag van € 629,01 dat aan derden wordt uitbetaald. Appellante ontvangt een netto-uitkering van € 833,83.

1.2.

Tevens heeft appellante een betalingsspecificatie van 11 mei 2018 ontvangen waaruit blijkt dat haar bruto vakantietoeslag over de periode 1 mei 2017 tot en met 30 april 2018 een bruto-uitkering bedraagt van € 1.964,92. Op dit bedrag wordt in mindering gebracht een bedrag van € 894,62 aan loonheffing en een bedrag van € 1.070,30 dat aan derden wordt uitbetaald, zodat het netto uit te keren bedrag € 0,00 bedraagt.

1.3.

Appellante heeft tegen elk van de vijf betalingsspecificaties een bezwaarschrift ingediend.

1.4.

Het Uwv heeft het bezwaar gericht tegen de betalingsspecificatie over de maand januari 2018, bij besluit van 5 april 2017 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard in verband met het overschrijden van de bezwaartermijn. Bij afzonderlijk besluit van 5 april 2018 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen de betalingsspecificatie over de maand maart 2018 niet-ontvankelijk verklaard omdat de specificatie geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Op dezelfde grond heeft het Uwv bij besluiten van wederom 5 april 2018 en 29 juni 2018 (bestreden besluiten 3 en 4) de bezwaren gericht tegen de betalingsspecificaties over de maanden februari 2018 en mei 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 2 juli 2018 (bestreden besluit 5) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gericht tegen de betalingsspecificatie van 11 juni 2018, waarbij de verwerking van het vakantiegeld over de periode mei 2017 tot en met april 2018 bekend gemaakt is, ongegrond verklaard. Aan dit laatste besluit heeft het Uwv het standpunt ten grondslag gelegd, dat de gronden die appellante tegen de beslaglegging naar voren heeft gebracht in uitspraken door zowel de rechtbank als de Raad zijn verworpen en dat zij zich, als zij problemen met de beslaglegging ervaart, tot de deurwaarder/beslaglegger en/of de civiele rechter kan wenden.

2. Appellante heeft tegen alle vijf besluiten beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

Bestreden besluit 1

2.1.

Over bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv onweersproken heeft gesteld dat appellante het bezwaarschrift op 16 februari 2018 heeft afgegeven bij het Uwv. Nu de bestreden betaalspecificatie gedateerd is op 3 januari 2018, is de bezwaartermijn geëindigd op 14 februari 2018 en was het bezwaar te laat. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat appellante niet in staat was om op tijd (voorlopig) bezwaar te maken en dat appellante niets heeft aangevoerd dat kan leiden tot de conclusie dat de te late indiening verschoonbaar is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht het bezwaar niet ontvankelijk heeft verklaard.

Bestreden besluiten 2, 3 en 4

2.2.

Over bestreden besluit 2, 3 en 4 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van onder meer 24 mei 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE3942, overwogen dat de betaalspecificaties niet op rechtsgevolg zijn gericht en daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb zijn.

Bestreden besluit 5

2.3.

Over bestreden besluit 5 heeft de rechtbank geoordeeld dat de gronden van appellante tegen dit besluit, die vooral betrekking hebben op de beslaglegging, al in verschillende uitspraken van de rechtbank en de Raad zijn verworpen. De uitspraken waarnaar is verwezen zijn ook van belang voor de beoordeling van de onderhavige specificatie. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het besluit voldoende heeft gemotiveerd, gelet ook op de oordelen in een aantal procedures van appellante in vergelijkbare gevallen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante in essentie gelijke gronden aangevoerd als in beroep.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft appellante aangevoerd dat haar beroepsgronden die betrekking hebben op de beslaglegging door het Uwv, welke beslaglegging volgens appellante niet rechtmatig is, voor alle vijf zaken van belang zijn en moeten leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten en dus ook tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Ten aanzien van de bestreden besluiten 1 tot en met 4 geldt echter dat de bezwaren van appellante tegen de verschillende betaalspecificaties om andere formele redenen volgens het Uwv niet slagen. In de bespreking van de betreffende hoger beroepen zal, evenals de rechtbank terecht heeft gedaan, die motivering worden beoordeeld.

Bestreden besluit 1 (overschrijding bezwaar termijn)

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv bij het bestreden besluit 1 het bezwaar van appellante tegen de betaalspecificatie van 3 januari 2018 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

Bestreden besluiten 2, 3 en 4 (betaalspecificaties)

4.3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2313, ligt aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Dan is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.3.2.

Het Uwv heeft bij brieven van 12 februari 2018, 12 maart 2018 en 7 mei 2018 de betaalde WIA-uitkering over de maanden februari 2018, maart 2018 en mei 2018 gespecificeerd. Het bedrag van de bruto-uitkering, de ingehouden bedragen en het bedrag van de netto-uitkering in de betaalspecificatie van februari 2018, maart 2018 en mei 2018 (en april 2018) zijn gelijk aan de bedragen in de betaalspecificatie van januari 2018. Dat betekent dat sprake is van de situatie dat bij een eerder besluit – te weten het rechtens vaststaande besluit van 3 januari 2018 – is vastgesteld wat de uitkeringsrechten van appellante zijn. De specificaties van de betaling over de maanden februari, maart en mei 2018 zijn dan ook aan te merken als een herhaling. Deze herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg. De betaalspecificaties zijn dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, is juist.

Bestreden besluit 5 (vakantietoeslag en loonbeslag)

4.4.

De Raad heeft in een eerdere procedure van appellante in zijn uitspraak van 8 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2511, uitleg gegeven over de wijze waarop een deugdelijk beslag wordt gelegd en over de mogelijkheden om in een bestuursrechtelijke procedure op te komen tegen beslaglegging op een uitkering. Het Uwv is gehouden aan het beslag medewerking te verlenen en het ligt het niet op de weg van het Uwv de geldigheid van het door de deurwaarder gelegde beslag te beoordelen. Het is de Raad ook in de onderhavige zaak niet gebleken dat het Uwv niet binnen het kader van het beslag is gebleven. Appellante kan haar bezwaren tegen de beslissing om beslag te leggen en de vaststelling van de beslagvrije voet desgewenst aan de civiele rechter voorleggen.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) E. Diele