Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
18/6107 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6107 WIA, 18/6108 WIA, 18/6109 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 juli 2018, 17/5763 WIA, 17/5764 WIA en 17/5765 WIA

Partijen:

[verzoekster] zonder vaste woon- of verblijfplaats (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de door de Raad op 26 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2356) gegeven uitspraak. Daarbij heeft zij stukken ingediend.

Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Verzoekster is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoekster ontvangt al geruime tijd een IVA-uitkering van het Uwv. Bij brief van

20 november 2016 heeft het Uwv appellante een betaalspecificatie arbeidsongeschiktheidsuitkering over de maand november 2016 gestuurd. Bij besluit van

13 december 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen de brief van 20 november 2016 niet-ontvankelijk verklaard. De betaalspecificatie kan volgens het Uwv niet gezien worden als een besluit omdat het geen rechtsgevolgen heeft.

1.2.

Bij besluit van 18 september 2016 heeft het Uwv aan verzoekster een tegemoetkoming arbeidsongeschikten toegekend voor het jaar 2016. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 7 maart 2017 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv onder verwijzing naar artikel 67, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen afwijzend beslist op het verzoek van appellante om haar uitkering wekelijks te betalen.

2. Bij uitspraak van 6 juli 2017 heeft de rechtbank de beroepen van verzoekster tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en zich in het beroep tegen bestreden besluit 3 onbevoegd verklaard.

3. Bij zijn uitspraak van 26 juli 2018 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van

6 juli 2017 bevestigd.

3.1.

Verzoekster heeft aan haar herzieningsverzoek – samengevat – ten grondslag gelegd dat haar ter zitting gedane verzoek om uitstel, omdat er nog een procedure van haar bij de belastingrechter van het Hof aanhangig was die zou moeten worden afgewacht, ten onrechte niet gehonoreerd is.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2.

In wat verzoekster bij het verzoek om herziening heeft aangevoerd, zijn geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 26 juli 2018 moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) E. Diele