Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
14/659 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Het Uwv heeft op juiste wijze de bevindingen van de door de Raad geraadpleegde deskundige overgenomen in de FML. De arbeidsdeskundige heeft afdoende gemotiveerd dat de nog resterende functies, ook wanneer wordt uitgegaan van de aangepaste FML, passend zijn voor appellant. De mate van arbeidsongeschikt blijft onveranderd 24,1% zodat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 659 WIA

Datum uitspraak: 21 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 december 2013, 12/5717 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft MDL-arts prof. dr. H.J. Metselaar als deskundige benoemd. Metselaar heeft op 8 juni 2017 rapport uitgebracht. Het Uwv heeft op het rapport gereageerd. Metselaar heeft aanvullend gerapporteerd. Het Uwv heeft een nadere reactie ingezonden.

De Raad heeft vervolgens verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 11 februari 2019 rapport uitgebracht. Op dit rapport heeft appellant een reactie ingezonden. Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten en van schade wegens schending van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit laatste verzoek van appellant heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als medewerker bloemenveiling voor 40 uur per week. Op

22 maart 2010 heeft hij zich, vanuit een werkloosheidssituatie, ziek gemeld met psychische klachten en vermoeidheidsklachten. Later zijn ook leverklachten ontstaan. Appellant is in het kader van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gezien door een arts van het Uwv. Deze arts heeft in een FML de belastbaarheid van appellant weergegeven. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd die appellant met zijn krachten en bekwaamheden kan vervullen en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 9,6%. Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 19 maart 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML op enkele punten aangepast en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met een gedeeltelijke wijziging van de geselecteerde functies de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 10,59%. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 maart 2012 is bij besluit van 10 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Tijdens de beroepsprocedure heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep twee van de geselecteerde functies laten vervallen omdat die functies niet langer geschikt zijn geacht. De mate van arbeidsongeschiktheid is vervolgens nader vastgesteld op 24,1%. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust en dat de geselecteerde functies voor appellant passend zijn. Omdat hangende het beroep de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is gewijzigd, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant en heeft bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.1.

Gelet op de aandoeningen van appellant, zoals die uit de informatie van zijn behandelend arts naar voren komen, heeft de Raad aanleiding gezien zich te laten voorlichten door Metselaar. Metselaar heeft rapport uitgebracht. Op basis van eigen onderzoek en dossierstudie heeft hij zich — kort samengevat — op het standpunt gesteld dat de belastbaarheid zoals was vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet juist is. Bij appellant is sprake van een levercirrose en portale hypertensie en hepatische encefalopathie. Daarnaast is er sprake van een verstoring van de hersenfunctie die zich onder andere uit in concentratieproblemen en slaapstoornissen. Appellant kan de geduide functies niet verrichten en zeker niet gedurende acht werkuren per dag.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd op het rapport van Metselaar. Kort samengevat acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van Metselaar niet overtuigend gemotiveerd dat de toegenomen klachten van appellant tot gevolg heeft dat de vastgestelde belastbaarheid niet correct is. Voor zover Metselaar het niet eens is met de beperkingen die in de FML zijn opgenomen, heeft hij niet vermeld hoe de beperkingen moeten luiden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan het oordeel van deskundige Metselaar niet zo gevolgd worden. De nadere rapporten van Metselaar en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben niet tot eenstemmigheid geleid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de Raad aansluitend verzocht een verzekeringsarts als deskundige te benoemen.

3.3.2.

Gelet op de discussie tussen de deskundige Metselaar en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de Raad het nodig geoordeeld een verzekeringsarts als deskundige te benoemen. Aan Greveling-Fockens is gevraagd welke onderdelen van de FML van

24 september 2012 aanpassing vragen, gelet op de bevindingen van Metselaar.

Greveling-Fockens heeft gerapporteerd. In het rapport heeft deze deskundige vermeld dat in de FML een zwaardere beperking moet worden opgenomen voor “lopen tijdens het werk” en een beperking voor “staan tijdens het werk” met een maximum gedurende twee uur per werkdag. Naast de aldus gestelde beperkingen acht deze deskundige een verdergaande urenbeperking niet aangewezen.

3.3.3.

Het Uwv heeft met inachtneming van de conclusie van Greveling-Fockens de FML aangepast. In de FML van 4 maart 2019 is appellant, naast de al eerder opgenomen beperkingen, aanvullend beperkt op onderdeel 4.19.2 “lopen tijdens werk”: beperkt, kan zo nodig gedurende een beperkt deel van de werkdag (ongeveer 1 uur) lopen. Toelichting: maximaal twee uur per werkdag. Ook is een beperking opgenomen op onderdeel 5.4.2. “staan tijdens werk”: beperkt, kan zo nodig gedurende een beperkt deel van de werkdag staan (ongeveer 1 uur). Toelichting: maximaal twee uur per werkdag.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de aangepaste FML opnieuw de passendheid van de geselecteerde functies beoordeeld en in het rapport van 18 maart 2019 gemotiveerd dat de wijziging van de FML geen gevolgen heeft voor de geselecteerde functies. De functies zijn onveranderd passend en de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt niet.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van Greveling-Fockens geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De conclusies van deze deskundige berusten op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd. De van belang zijnde medische gegevens van de verzekeringsartsen, de over appellant beschikbare medische informatie van behandelaars en met name het rapport van Metselaar zijn kenbaar en overtuigend in de door de deskundige getrokken conclusies betrokken.

4.2.

Het Uwv heeft vervolgens op juiste wijze de bevindingen van Greveling-Fockens overgenomen in de FML van 4 maart 2019. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat de nog resterende functies, ook wanneer wordt uitgegaan van de aangepaste FML, passend zijn voor appellant. De mate van arbeidsongeschikt blijft onveranderd 24,1% zodat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de

Wet WIA.

5. Omdat het Uwv in hoger beroep de medische grondslag van het bestreden besluit heeft gewijzigd, moet worden geoordeeld dat in hoger beroep opnieuw van een gebrek in de besluitvorming is gebleken. Gelet op de juistheid van de arbeidskundige beoordeling wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand worden gelaten. Gelet op dit oordeel slaagt het hoger beroep niet. Wel is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.536,- (hoger beroepschrift, zitting en twee zienswijzen na deskundigenrapporten) voor verleende rechtsbijstand.

6.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

6.2.

In het geval van appellant zijn vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 25 april 2012 tot de datum van deze uitspraak, 21 oktober 2019, ruim zeven jaar en vijf maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim drie jaar en vijf maanden overschreden.

6.3.

De behandeling van het bezwaar door het Uwv vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 25 april 2012 tot de beslissing op het bezwaar op 10 oktober 2012 heeft minder dan zes maanden geduurd. Dat betekent dat de overschrijding heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Hieruit volgt dat de Staat dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant ten bedrage van € 3.500,-.

7. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze worden begroot op € 256,- voor kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.500,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.536,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 256,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) D.S. Barthel