Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
18/4595 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte bijstand ingetrokken en teruggevorderd. Voeren gezamenlijke huishouding niet aannemelijk gemaakt. Onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4595 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 22 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 juli 2018, 17/3994 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.E.Th. Hogervorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. Namens appellante is

mr. Hogervorst verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Sparreboom.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving over de periode van 30 maart 2015 tot 10 mei 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college heeft de bijstand van appellante met ingang van 10 mei 2016 ingetrokken op de grond dat appellante met [X] (X) een gezamenlijke huishouding voerde op het adres [adres 1] . Uit de relatie van appellante en X is in 2010 een kind (Y) geboren.

1.2.

Sinds 22 juni 2016 staat X in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] . Op 12 juli 2016 heeft appellante aan de gemeente Stein doorgegeven dat zij is verhuisd naar het adres [adres 3] (uitkeringsadres) en dat X is vertrokken. Op het uitkeringsadres staan tevens ingeschreven in de BRP Y en een zoon

van X.

1.3.

Op 19 juli 2016 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd op grond van de PW.

Bij besluit van 26 augustus 2016 heeft het college bijstand toegekend met ingang van

15 juli 2016 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar tegen de intrekking van de bijstand met ingang van 10 mei 2016, heeft over de periode van 12 juli 2016 tot 15 juli 2016 nog uitbetaling van bijstand plaatsgevonden naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.4.

Naar aanleiding van een melding van de klantmanager van de afdeling Werk en Inkomen heeft een rapporteur van deze afdeling op 20 maart 2017 een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van appellante. Hiertoe heeft hij onder meer verbruiksgegevens bij watermaatschappij WML en bij Enexis opgevraagd. Tevens heeft hij bij het onderzoek betrokken een verslag van een buitencontrole die medewerkers van de gemeente

Echt-Susteren op 13 juli 2016 hebben uitgevoerd in het kader van een adresonderzoek wegens een vermoeden van schijninschrijving van X op het adres [adres 2] . Op 3 april 2017 hebben de rapporteur en de klantmanager onaangekondigd een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. Aansluitend aan dit huisbezoek hebben zij appellante gehoord. Vervolgens hebben zij nog een buurtonderzoek op de [adres 2] te [plaatsnaam] verricht. Op

3 en 8 mei 2017 heeft de gemeente Stein drie anonieme getuigenverklaringen ontvangen.

De onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd in een Rapportage Bijzonder Onderzoek van

29 mei 2017.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

7 juni 2017 de bijstand van appellante met ingang van 12 juli 2016 in te trekken. Bij besluit van 23 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van

12 juli 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder aanpassing van de motivering. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en X vanaf

12 juli 2016 beiden hun hoofdverblijf hebben op het uitkeringsadres en dat daarom vanaf die datum sprake is van een gezamenlijke huishouding. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door hiervan bij het college geen melding te maken. Als gevolg hiervan heeft appellante ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 12 juli 2016, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 7 juni 2017, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander.

4.4.

Vaststaat dat uit de relatie van appellante en X een kind is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW uitsluitend van belang of appellante en X hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.5.

Appellante en X stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de BRP ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat het uitkeringsadres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.6.1.

Appellante heeft aangevoerd dat X in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad. Deze beroepsgrond slaagt.

4.6.2.

Het college heeft het bestreden besluit voor wat betreft de te beoordelen periode gebaseerd op het op 3 april 2017 op het uitkeringsadres afgelegde huisbezoek, de verklaring van appellante, anonieme verklaringen van drie buurtbewoners van het uitkeringsadres, het waterverbruik op het uitkeringsadres, een buitencontrole en buurtonderzoek in de [adres 2] in [plaatsnaam] . Deze onderzoeksbevindingen dienen volgens het college in onderlinge samenhang te worden bezien.

4.6.3.

Het huisbezoek van 3 april 2017 biedt geen toereikende grondslag voor de conclusie dat X in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres woonde. Allereerst betreft het hier een momentopname die weinig zegt over de situatie voorafgaand aan het huisbezoek. Daarbij komt dat tijdens het huisbezoek behalve X zelf, enkele kledingstukken en een paar schoenen, geen persoonlijke bezittingen, post of administratie van X of specifiek voor een man bestemde toiletspullen zijn aangetroffen. Weliswaar stond op de zolder een kledingrek met diverse kledingstukken, waaronder ook herenkleding, maar hierover heeft appellante verklaard dat die niet van X waren. Dat deze kleding op het oog overeenkwam met de maat van X is niet voldoende om aan te nemen dat die kleding van hem was. Rapporteurs hebben niet onderzocht of de kleding van X was of van de bij appellante inwonende zoon van X. Ook is niet onderzocht of X een sleutel heeft van de woning.

4.6.4.

Over de aanwezigheid van X op het uitkeringsadres ten tijde van het huisbezoek heeft appellante verklaard dat X die nacht was blijven slapen in de woonkamer op de bank onder de blauwe fleecedeken, omdat appellante op 3 april 2017 een afspraak had in het ziekenhuis voor Y. Dat appellante op 3 april 2017 daadwerkelijk voor Y een afspraak had in het ziekenhuis wordt niet door het college betwist. Dat het niet aannemelijk is dat X om die reden is blijven slapen, zoals het college stelt, is onvoldoende voor de conclusie dat X zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. De verklaring van appellante dat X af en toe op woensdag bij haar is en meestal in de weekenden en blijft slapen als het kind huilt, is hiervoor evenmin voldoende.

4.6.5.

Ook de drie anonieme verklaringen van buurtbewoners zijn op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat X gedurende de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Deze buurtbewoners hebben weliswaar concreet en gedetailleerd verklaard dat X dagelijks verbleef op het uitkeringsadres en daar ook bleef slapen, maar niet duidelijk is op welke periode de verklaringen zien. Bovendien zijn de verklaringen niet verifieerbaar en kunnen daarom hooguit dienen als steunbewijs.

4.6.6.

Uit het waterverbruik op het uitkeringsadres heeft het college afgeleid dat in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres niet drie maar vier personen woonden. Dat het waterverbruik hoger was dan gebruikelijk voor een driepersoonshuishouden is niet in geschil. Ook dit biedt echter onvoldoende steun voor de conclusie van het college dat X in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Uit het verbruik kan namelijk niet worden afgeleid wie de verbruikers zijn.

4.6.7.

Het college heeft verder verwezen naar de buitencontrole op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] , alwaar X staat ingeschreven in de BRP, alsmede naar de resultaten van het buurtonderzoek op dat adres. Deze onderzoeksbevindingen hebben echter, evenals het waterverbruik, geen zelfstandige betekenis voor het antwoord op de vraag of X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Ook al zou hieruit kunnen worden afgeleid dat X geen hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] , dan nog staat hiermee niet vast dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.

4.7.

Uit 4.6.3 tot en met 4.6.7 volgt dat de bevindingen van het onderzoek niet toereikend zijn voor de conclusie dat X in de te beoordelen periode woonde op het uitkeringsadres.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Mede in aanmerking genomen dat het college ter zitting van de Raad heeft meegedeeld dat het door het tijdsverloop onaannemelijk is dat nog nader onderzoek kan worden gedaan ter nadere onderbouwing van het bestreden besluit, ziet de Raad aanleiding om het besluit van 7 juni 2017 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van bezwaar en de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, op

€ 1.024,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal

€ 3.072,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 oktober 2017;

  • -

    herroept het besluit van 7 juni 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het
    vernietigde besluit van 23 oktober 2017;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.072,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M. Hillen en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2019.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) A.A.H. Ibrahim

sg