Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3322

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
18/3217 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van college dat appellante haar woonplaats had prijsgegeven. College had meer onderzoek moeten doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3217 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 22 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

24 mei 2018, 17/4917 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.F.R. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. F. Reith, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift en appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Reith. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Gelder en P. Tolman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 21 augustus 2011 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Op 27 maart 2017 heeft de sociale recherche Werksaam Westfriesland (sociale recherche) een anonieme melding ontvangen. Deze melding houdt onder meer in dat de bewoner van [adres 2] (X) een uitkering ontvangt en zijn vriendin (appellante), die een uitkering ontvangt van de gemeente Alkmaar maar niet staat ingeschreven op het adres in [gemeente 1] , al ruim een jaar bij hem inwoont. Zij gaat alleen naar [gemeente 2] om haar post op te halen. Naar aanleiding van deze melding hebben sociaal rechercheurs in samenwerking met de sociale recherche van Halte Werk een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de zowel aan appellante als aan X verleende bijstand. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs in de periode van 12 april 2017 tot en met 8 mei 2017 waarnemingen verricht bij het adres [adres 2] en van 12 april 2017 tot en met 9 mei 2017 bij het uitkeringsadres, appellante en X verhoord en een huisbezoek afgelegd op het adres [adres 2] .

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

11 mei 2017 de bijstand van appellante met ingang van 11 mei 2017 te beëindigen en de bijstand over de periode van 1 augustus 2016 tot 11 mei 2017 in te trekken en bij besluit van 30 mei 2017 de over de periode van 1 augustus 2016 tot en met 30 april 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.479,74 van haar terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college, onder verwijzing naar artikel 40, eerste lid, van de PW, ten grondslag gelegd dat appellante, in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting, niet heeft gemeld dat zij met ingang van 1 augustus 2016 haar feitelijke hoofdverblijf niet in de gemeente Alkmaar heeft, maar in de gemeente [gemeente 1] bij X op het adres [adres 2] .

1.4.

Bij besluit van 29 september 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 11 mei 2017 en 30 mei 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of appellante in de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 augustus 2016 tot en met 11 mei 2017, haar woonplaats in de gemeente [gemeente 2] had.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105), welke haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de PW, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11, eerste lid, van de PW voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Vergelijk de uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560.

4.5.

Het college heeft, zoals blijkt uit het bestreden besluit, de besluitvorming gebaseerd op de waarnemingen in de [adres 2] in de periode van 12 april 2017 tot en met

8 mei 2017 en bij het uitkeringsadres in de periode van 12 april 2017 tot en met 9 mei 2017, het huisbezoek van 10 mei 2017 op het adres [adres 2] en op de verhoren van appellante en X. Daarbij heeft het college doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaringen van appellante en X.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat haar verklaring alsmede de verklaring van X onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat zij haar woonplaats in [gemeente 2] heeft prijsgegeven. Deze beroepsgrond slaagt. Uit de verklaringen komt naar voren dat appellante een aantal nachten per week bij X in [gemeente 1] was en dat zij na het schietincident in haar wijk vaker bij X was, maar uit de verklaring van appellante blijkt ook dat zij steeds terugkeerde naar het uitkeringsadres om haar post, die zij daar ontving, te bekijken, om vrijwilligerswerk te doen in een bejaardentehuis en om voor haar “oppashond” te zorgen. Bovendien blijkt uit door appellante overgelegde stukken dat zij haar huisarts in [gemeente 2] had, ook daadwerkelijk afspraken met die huisarts had in de te beoordelen periode en dat zij haar apotheek in [gemeente 2] had. Uit de overgelegde stukken blijkt ook dat appellante in februari 2017 nog een Ziggo-jaarabonnement had afgesloten. Dat past niet bij het prijsgeven van een woonplaats. Bij X in [gemeente 1] lag slechts een stapeltje kleding, wat verzorgingsspulletjes en er stond een mandje met wol om te breien. Het college heeft geen onderzoek gedaan naar feiten en omstandigheden waaruit de wil van appellante blijkt om haar woonplaats in [gemeente 2] prijs te geven. Daartoe is niet voldoende dat het college heeft vastgesteld dat appellante veelvuldig met haar auto naar X in [gemeente 1] ging en daar vaak verbleef. Het college heeft nagelaten te onderzoeken waar appellante haar zaken behartigt, waar zij haar administratie bewaart en waar zij haar goederen en eigendommen beheert. Ook heeft het college geen onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld telefoon-, televisie- en internetaansluitingen of verzekeringen. Dit klemt temeer nu het college ook niet in de door appellante overgelegde stukken aanleiding heeft gezien om nader onderzoek te doen. Ook de omstandigheid dat het college appellante zonder nader onderzoek met ingang van 15 mei 2017, enkele dagen na het intrekkingsbesluit, weer bijstand heeft verleend, is van betekenis. Kennelijk ging het college ervan uit dat appellant toen wel haar woonplaats in de gemeente [gemeente 2] had. Met de verklaringen van appellante en X, de waarnemingen en het huisbezoek bij X, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellante het centrum van haar maatschappelijk leven in de te beoordelen periode niet in [gemeente 2] had.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het bestreden besluit vernietigen.

4.8.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Mede in aanmerking genomen dat het college ter zitting van de Raad te kennen heeft gegeven dat door het tijdsverloop niet aannemelijk is dat het college het geconstateerde gebrek nog kan herstellen, ziet de Raad aanleiding om het besluit van 11 mei 2017 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

4.9.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep, in totaal € 3.072,-

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 mei 2017;

  • -

    herroept het besluit van 11 mei 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 mei 2017;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.072,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M. Hillen en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2019.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) A.A.H. Ibrahim