Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
18/3032 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2726, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Geen noodzakelijke kosten. Geen gedwongen, noodzakelijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3032 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2018, 17/7794 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 15 oktober 2019

Zitting heeft: W.F. Claessens als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: P.Y.M. Liu

Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Hoftijzer en N. Wanten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellant heeft begin augustus 2017 een woning betrokken die hij vanaf 3 augustus 2017 huurt. Kort daarvoor was hij, na enige tijd in Marokko bij zijn vrouw te hebben verbleven, teruggekeerd naar Nederland. Toen appellant destijds naar Marokko vertrok, heeft hij de huur van zijn woning in Nederland opgezegd en zijn inboedel achtergelaten. Appellant heeft aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van eerste huur van de woning die hij vanaf 3 augustus 2017 is gaan huren en voor de kosten van inrichting van deze woning. Het college heeft deze aanvragen afgewezen bij afzonderlijke besluiten van 21 en 28 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 november 2017 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd rechtstreeks voortkomen uit een niet noodzakelijke verhuizing. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Appellant voert aan dat dit het geval is, omdat het gaat om een gedwongen, noodzakelijke situatie.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Ervan uitgaande dat het verblijf in Marokko tijdelijk was, zoals appellant ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, is appellant verhuisd van de woning die hij destijds heeft opgezegd naar de woning die hij vanaf 3 augustus 2017 is gaan huren. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat deze verhuizing noodzakelijk was. Nergens blijkt uit dat appellant genoodzaakt was om de huur op te zeggen van de woning die hij huurde voordat hij naar Marokko vertrok. De stelling van appellant dat het gaat om een gedwongen, noodzakelijke situatie, wordt niet gevolgd, alleen al bij gebreke van enige onderbouwing daarvan. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand in stand blijft.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) P.Y.M. Liu (getekend) W.F. Claessens

IJ