Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
16/4553 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering. Het Uwv heeft de conclusies van de door de Raad geraadpleegde deskundige ten onrechte niet volledig in de FML vastgelegd. De noodzaak van een urenbeperking is aan de hand van relevante medische inzichten en op toereikende wijze door de deskundige onderbouwd. De beperking in de FML ten aanzien van werktijden moet daarom worden aangepast. De deskundige heeft weliswaar niet aangegeven hoe zwaar de urenbeperking dient te zijn, maar op basis van het rapport wordt geoordeeld dat een urenbeperking van tenminste drie uren per dag is aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4553 WIA

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juni 2016, 15/3138 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.M.J.J. Dewarrimont hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dewarrimont. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.H.G. Boelen.

Het onderzoek is na de zitting heropend.

E. van Gelderen, psychiater, heeft op 6 juli 2018 als deskundige rapport uitgebracht.

Partijen hebben een zienswijze ingediend.

De deskundige heeft op 30 oktober 2018 nader gerapporteerd.

Appellante heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord. Het Uwv heeft op de vraag hierover niet gereageerd, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als projectmanager gedurende 56,73 uur per week. Appellante heeft zich vanuit de situatie waarin zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving per 22 april 2013 ziek gemeld met klachten van haar (dominante) linkerhand en haar ribbenkast als gevolg van een bedrijfsverkeersongeval.

1.2.

Op 8 januari 2015 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Zij is op 19 januari 2015 onderzocht door een arts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 april 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 51,83%. Bij besluit van 23 april 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 20 april 2015 recht heeft op een WIA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 51,83%.

1.3.

Het door appellante tegen het besluit van 23 april 2015 ingediende bezwaar is bij besluit van 17 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 17 augustus 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 7 september 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat appellante medisch gezien in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar klachten door het Uwv zijn onderschat. Zij heeft daarvoor verwezen naar rapporten van verzekeringsarts/medisch adviseur mr. G.J. Kruithof en psychiater drs. J. Huisman. Verder heeft zij aangevoerd dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad heeft aanleiding gezien de deskundige Van Gelderen om advies te vragen. De deskundige heeft in haar op 6 juli 2018 toegestuurde rapport van 18 mei 2018 gesteld dat bij appellante sprake is van een conversiestoornis, met gemengde symptomen, persisterend en van een eenmalige, matige depressieve stoornis. De deskundige is van mening dat beperkingen aan de FML van 10 april 2015 zouden moeten worden toegevoegd, omdat appellante als gevolg van de conversiestoornis ernstig beperkt is in het uitvoeren van handelingen met de linkerarm en (langere) stukken autorijden. Vanuit psychiatrisch oogpunt is naar de mening van de deskundige inzetbaarheid van acht uur per dag, gezien de conversiestoornis destijds en de daaruit voortvloeiende beperkingen, niet haalbaar.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft na ontvangst van het rapport van de deskundige de FML aangepast, maar de door de deskundige geconstateerde beperkingen niet volledig overgenomen in de FML van 13 augustus 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens haar rapport van 13 augustus 2018 appellante aanvullend beperkt geacht voor verhoogd persoonlijk risico, chauffeursfuncties, werk waarbij gebruik van beide armen gedurende de gehele werkdag noodzakelijk is, zwaardere lichamelijke inspanning zoals zwaarder tillen, nachtdiensten en voor overwerk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor een verdergaande urenbeperking geen indicatie gezien. Omdat de beperking bij 1.9.2 (appellante is aangewezen op vaste, bekende werkwijzen) een lager zelfstandigheidsniveau impliceert dan het HBO-niveau van appellante, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze beperking ondergebracht bij 1.9.5 (appellante is aangewezen op een voorspelbare werksituatie).

4.3.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarna op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 april 2015 dient te worden bepaald op 54,38% in plaats van 51,83%. Het Uwv heeft op basis daarvan bij brief van 20 augustus 2018 meegedeeld dat het standpunt wat betreft het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt, en derhalve ook de resterende verdiencapaciteit. Het door het Uwv ingenomen standpunt wat betreft de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering per die datum wijzigt niet.

4.4.

Appellante heeft in reactie op de nadere besluitvorming van het Uwv gesteld dat het Uwv haar beperkingen nog steeds onvoldoende in kaart heeft gebracht en ernstig heeft onderschat. Ook heeft zij gesteld dat zij de geduide functies niet kan uitvoeren. Het rapport van de deskundige ondersteunt haar standpunten en daaruit blijkt dat ook de nieuwe vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv onhoudbaar is.

4.5.

De deskundige heeft bij nader rapport van 30 oktober 2018 haar conclusie gehandhaafd dat inzetbaarheid van acht uur per dag voor appellante, gezien de conversiestoornis destijds en de daaruit voortvloeiende beperkingen, als niet haalbaar moet worden gezien. De deskundige kan zich evenmin vinden in het onderbrengen van de beperking bij 1.9.2 bij 1.9.5 en is onverminderd van mening dat appellante op 20 april 2015 beperkt was in het vervoer. Reizen met het openbaar vervoer zou eventueel, zoals door verzekeringsarts bezwaar en beroep beschreven, tot een mogelijkheid behoren, maar ook dit wordt evident ook bemoeilijkt door de conversiestoornis.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft voorts in haar rapport van 30 oktober 2018, in reactie op het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een urenbeperking niet noodzakelijk is, te kennen gegeven dat in het kader van de conversiestoornis gemiddeld vijf tot zeven keer per week een volledige verlamming van de linkerarm optrad, welke na enkele uren herstelde. Dit vormt volgens de deskundige een ernstige beperking in appellantes functioneren waardoor inzetbaarheid van acht uur per dag niet haalbaar is. Deze conclusie van de deskundige is navolgbaar. Ook overigens geeft de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding af te wijken van de conclusies van de deskundige.

5.3.

Dit betekent dat het Uwv de conclusies van de door de Raad geraadpleegde deskundige ten onrechte niet volledig in de FML van 13 augustus 2018 heeft vastgelegd. De noodzaak van een urenbeperking is aan de hand van relevante medische inzichten en op toereikende wijze door de deskundige onderbouwd. De beperking in de FML ten aanzien van werktijden moet daarom worden aangepast. De deskundige heeft weliswaar niet aangegeven hoe zwaar de urenbeperking dient te zijn, maar op basis van het rapport wordt geoordeeld dat een urenbeperking van tenminste drie uren per dag is aangewezen. Omdat reizen per openbaar vervoer volgens de deskundige niet onmogelijk is behoeft de FML op dat punt niet te worden aangepast.

5.4.

Gelet op overwegingen 5.2 en 5.3 slaagt het hoger beroep. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Het Uwv zal bij de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar een nieuwe FML moeten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met een urenbeperking van tenminste drie uren per dag.

5.5.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De in beroep en hoger beroep gemaakte kosten wegens verleende rechtsbijstand worden begroot op € 1.024,- in beroep (2 punten) en € 1.280,- in hoger beroep (2,5 punten), in totaal € 2.304,-. Het Uwv moet ook de kosten van de door appellante geraadpleegde medisch deskundigen vergoeden. Deze worden vergoed op basis van het Besluit tarieven in strafzaken. Mr. Kruithof heeft 9,6 uren aan zijn adviezen besteed, drs. Huisman 13,6 uren, totaal 23,2 uren. De vergoeding voor de deskundigen bedraagt dan 23,2 x € 121,95 plus BTW is € 3.423,38. Tevens dienen de door Kruithof geclaimde reiskosten van € 30,- te worden vergoed. De door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen in totaal € 5.757,38.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 september 2015;

  • -

    draagt het Uwv op om binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.757,38;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 169,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en B.M. van Dun en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.R. Trox

KS