Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
17/7835 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Het besluit om niet terug te komen van het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 10 juni 2014 is niet evident onredelijk.2) Boete. Uitgegaan kan worden van normale verwijtbaarheid en dus van een boetepercentage van 50%. Een verlaging van de boete van appellant tot een bedrag van € 2.111,03 is daarom aangewezen. Voor een verdergaande verlaging van de boete bestaat geen aanleiding. De afwijzing van het verzoek van appellant om terug te komen van het boetebesluit is evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7835 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 oktober 2017, 17/303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 27 juni 2019 een nadere reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 3 juni 2013 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Daarbij is ervan uitgegaan dat appellant per die datum werkloos was geworden uit zijn dienstverband met [naam X].

1.2.

Nadat in oktober 2013 het Uwv een interne melding had ontvangen dat appellant werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van zijn WW-uitkering. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat appellant in de maanden juni en juli 2013 nog heeft gewerkt bij [naam X] en loon heeft ontvangen en pas op 3 augustus 2013 werkloos is geworden. Vervolgens heeft het Uwv getracht met appellant een afspraak te maken voor een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van zijn WW-uitkering en in mei 2014 geconcludeerd dat appellant daaraan niet heeft meegewerkt.

1.3.

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant vanaf 3 juni 2013 herzien wegens het niet doorgeven van zijn werkzaamheden voor [naam X] in de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 juli 2013 en wegens het niet meewerken aan een onderzoek naar de rechtmatigheid van zijn WW-uitkering en toeslag, zodat het recht, de hoogte en de duur van de WW-uitkering en toeslag niet kunnen worden beoordeeld. Het Uwv heeft beslist dat appellant geen recht had op de WW-uitkering en toeslag en heeft € 4.222,06 aan over de periode van 3 juni 2013 tot en met 16 februari 2014 onverschuldigd betaalde WW‑uitkering en toeslag van appellant teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 10 juni 2014 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van 100% van het benadelingsbedrag, dus € 4.222,06, wegens het niet melden van zijn werkzaamheden voor [naam X] en het niet meewerken om een afspraak te maken voor een onderzoek naar rechtmatige WW-uitkering en toeslag. Het Uwv is daarbij uitgegaan van volledige verwijtbaarheid. Appellant heeft tegen de besluiten van 10 juni 2014 geen rechtsmiddel aangewend, zodat die in rechte vaststaan.

1.4.

Appellant heeft het Uwv bij brief van 12 oktober 2016 het Uwv verzocht de besluiten van 10 juni 2014 te herzien. Appellant heeft gesteld dat sprake is van misbruik van zijn persoonsgegevens door [naam bedrijf], het bedrijf van [naam X]. Appellant heeft een proces-verbaal van aangifte van 11 oktober 2016, opgemaakt door de politie eenheid Oost‑Nederland, overgelegd, waaruit blijkt dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude door [naam bedrijf]. Ook heeft hij een brief van 5 oktober 2016 van het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) overgelegd, waaruit blijkt dat hij op 14 september 2016 bij het CMI melding heeft gedaan van identiteitsfraude door [naam bedrijf].

1.5.

Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waarvan hij niet reeds eerder op de hoogte was. Het Uwv heeft de besluiten van 10 juni 2014 in stand gelaten.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 8 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:2891) overwogen dat onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het bestreden besluit zijn voorgevallen dan wel feiten en omstandigheden die vóór dat besluit zijn voorgevallen maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die vraagt om van een besluit terug te komen om de voor de besluitvorming benodigde gegevens uiterlijk in de bezwaarfase ter tafel te brengen (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BW4429). Nu appellant eerst in de beroepsfase belastingaanslagen heeft overgelegd heeft de rechtbank deze stukken buiten beschouwing gelaten. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het proces-verbaal van de politie en de brief van het CMI niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit deze stukken blijkt niet anders dan dat appellant aangifte heeft gedaan bij de politie en dat appellant het misbruik van zijn identiteit heeft gemeld bij het CMI. Uit de aangiftes blijkt bijvoorbeeld niet dat sprake is van een veroordeling. Appellant heeft daarmee geen nieuwe bewijsstukken overgelegd van zijn stelling dat hij niet heeft gewerkt en geen inkomsten uit arbeid heeft ontvangen in de periode in geding.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling in beroep herhaald dat hij slachtoffer is geworden van identiteitsfraude. Hij heeft gesteld dat de dader is gedagvaard. Uit de in hoger beroep door hem overgelegde loonstroken blijkt dat deze zijn vervalst, omdat de daarop vermelde periode en loonbedragen niet overeenkomen met de gegevens van het Uwv. Verder heeft appellant gewezen op een bericht van het Uwv van 23 november 2017 waaruit blijkt dat het Uwv contact heeft met de Belastingdienst. Op de zitting heeft appellant opgemerkt dat hij nog andere informatie heeft, waaruit zou blijken dat sprake is geweest van misbruik van zijn identiteitsgegevens.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, waaronder het gehanteerde toetsingskader, worden geheel onderschreven. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het proces-verbaal van aangifte bij de politie en de brief van het CMI niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, reeds omdat op grond van deze stukken niet kan worden afgeleid dat inderdaad sprake is geweest van identiteitsfraude. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die een ander licht op de zaak werpen. Dit betekent dat het Uwv kon volstaan met verwijzing naar het eerdere onherroepelijke besluit tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering. Ook is hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd onvoldoende om te oordelen dat het besluit om niet terug te komen van het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 10 juni 2014 evident onredelijk is.

4.2.

Met betrekking tot het boetebesluit overweegt de Raad als volgt. Gelet op de uitspraak van de Raad van 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:659, en de daarin opgenomen vuistregels is aanleiding om te oordelen dat de afwijzing van het verzoek van appellant om terug te komen van het boetebesluit evident onredelijk is. Het Uwv heeft in de brief van 27 juni 2019 vermeld dat op het moment van het verzoek tot herziening van de boete op 12 oktober 2016 nog niet 50% van het boetebedrag door appellant was betaald en dat het boetebedrag daarom kan worden vastgesteld op 50% van het oorspronkelijk bedrag, te weten 50% van € 4.222,06 = € 2.111,03. Een inkomens- en vermogensonderzoek is door het Uwv niet verricht, omdat appellant de aan hem daartoe toegezonden formulieren niet heeft geretourneerd.

4.3.

De Raad constateert dat de onder 2.6.2 onder 2 van de uitspraak van 7 maart 2019 beschreven situatie zich in dit geval voordoet en dat uitgegaan kan worden van normale verwijtbaarheid en dus van een boetepercentage van 50%. Een verlaging van de boete van appellant tot een bedrag van € 2.111,03 is daarom aangewezen. Voor een verdergaande verlaging van de boete bestaat geen aanleiding. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de afwijzing van het verzoek van appellant om terug te komen van het boetebesluit evident onredelijk is.

4.4.

Uit 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit, voor zover daarbij het boetebesluit is gehandhaafd, worden vernietigd, en het primaire besluit, ook voor zover daarbij het boetebesluit is gehandhaafd, worden herroepen. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal de Raad zelf in de zaak voorzien, het verzoek om herziening van het boetebesluit van 10 mei 2014 toewijzen en het bedrag van de boete vaststellen op € 2.111,03.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 december 2016, voor zover

daarbij het boetebesluit is gehandhaafd, en herroept het besluit van 26 oktober 2016, ook

voor zover daarbij het boetebesluit is gehandhaafd;

- wijst het verzoek om herziening van het boetebesluit van 10 juni 2014 toe, stelt het bedrag

van de boete vast op € 2.111,03 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

besluit van 26 oktober 2016, voor zover betrekking hebbend op het boetebesluit;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en S. Wijna en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van W. Epema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC