Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
16/1765 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Uit de vaststelling dat appellante op en na 1 januari 2009 psychische beperkingen had tot het verrichten van arbeid, volgt dat bestreden besluit 2 waar het betreft de weigering om appellante op grond van het bepaalde in artikel 43a van de WAO met ingang van 29 januari 2009 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, berust op een onvoldoende grondslag en in zoverre moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1765 WAO, 18/1933 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

11 februari 2016, 14/3389 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Stevers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stevers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend, waaronder een nieuw besluit.

Appellante heeft een zienswijze gegeven op het nieuwe besluit en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 31 oktober 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stevers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1965, heeft gewerkt als consultant bij [naam werkgever], een functie waarbij zij onder meer klanten moest adviseren, werkzaamheden moest coördineren en trainingen moest geven. Zij is op 30 augustus 1999 voor die werkzaamheden uitgevallen met burn-outklachten. De arbeidsovereenkomst is per 29 februari 2000 ontbonden. Omdat appellante volgens een verzekeringsarts van het Uwv niet beschikte over benutbare mogelijkheden om te werken, is zij per 28 augustus 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

In 2001 is appellante via een uitzendbureau als administratief medewerkster gaan werken. Omdat ook volgens appellante haar gezondheidstoestand geleidelijk in zodanige mate was verbeterd dat zij haar vorige werk als consultant weer kon verrichten, is haar WAO-uitkering met ingang van 19 februari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%. In verband met complicaties bij de zwangerschap en bevalling van haar zoon, is de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 februari 2003 weer vastgesteld op 80 tot 100%.

1.3.

Bij een heronderzoek in november 2004 heeft een verzekeringsarts vastgesteld dat appellante wel fysieke beperkingen had maar dat er geen reden was om haar in psychisch opzicht nog beperkt te achten. Omdat appellante met haar beperkingen geschikt werd geacht voor haar oude werk als consultant, is haar WAO-uitkering beëindigd per 23 februari 2005. In verband met een operatie aan haar hand vanwege een carpaal tunnel syndroom, is de

WAO-uitkering naar volledige arbeidsongeschiktheid weer heropend per 9 maart 2005.

1.4.

Appellante is weer herbeoordeeld en in verband daarmee gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts op 9 september 2005. Deze heeft de fysieke beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 9 september 2005. Voor het opnemen van psychische beperkingen was geen reden. Met deze beperkingen heeft een arbeidsdeskundige appellante weer geschikt geacht voor haar maatmanarbeid, de functie van consultant. Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige van 25 november 2005 heeft appellante in het gesprek gemeld dat ze hersteld is van haar psychische problematiek, dat haar handklachten beheersbaar zijn, dat ze druk doende is met allerlei sollicitaties en dat zij solliciteert op soortgelijk werk als haar maatmanarbeid. Het Uwv heeft vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid van appellante minder bedraagt dan 15% en heeft bij besluit van

10 januari 2006 de WAO-uitkering van appellante beëindigd per 1 februari 2006. Appellante heeft tegen dit beëindigingsbesluit geen bezwaar gemaakt.

1.5.

Op 5 augustus 2013 heeft appellante het Uwv verzocht haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering te verstrekken in verband met arbeidsongeschiktheid vanaf 1 januari 2009 als gevolg van astmaklachten en toegenomen psychische klachten. In verband met deze aanvraag heeft appellante op 30 augustus 2013 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Mede op basis van informatie van de behandelend psycholoog van appellante heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen toename is van beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellante tot 1 februari 2006 een

WAO-uitkering ontving. Van luchtwegklachten was toen geen sprake en er was volgens de verzekeringsarts geen toename van psychische klachten met eenzelfde oorzaak als destijds. Het Uwv heeft bij besluit van 21 oktober 2013 het verzoek van appellante afgewezen omdat zij volgens het Uwv per 29 januari 2009 geen recht had op een WAO-uitkering.

1.6.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2013 heeft het Uwv bij besluit van 17 juni 2014 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van 17 juni 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1 en heeft ter ondersteuning van haar standpunt een rapport van een intake bij PDC op 2 december 2014 ingediend met het behandeladvies van een aan PDC verbonden psycholoog en een psychiater en een brief van oktober 2014 van behandelend GZ-psycholoog Van Wetten. Daarnaast heeft zij een rapport ingediend van 19 juni 2015 van psychiater H.S.R. Witte, die appellante als onafhankelijk psychiater op haar verzoek op 11 mei 2015 heeft onderzocht en advies heeft uitgebracht aangaande haar psychische beperkingen ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden. Het Uwv heeft via rapporten van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de genoemde rapporten. Witte heeft hierop zijn reactie gegeven in een rapport van

21 oktober 2015.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht beslist dat appellante op grond van artikel 43a van de WAO geen recht heeft op een WAO-uitkering met ingang van 29 januari 2009, omdat de verzekeringsartsen inzichtelijk en overtuigend hebben gemotiveerd dat buiten twijfel staat dat de beperkingen van appellante vanaf die datum zijn toegenomen uit andere ziekteoorzaken, dan die welke ten grondslag hebben gelegen aan de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellante eerder een WAO-uitkering heeft ontvangen. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in diens onderbouwing van zijn standpunt dat de rapporten van PDC en Witte geen reden vormen voor een andere conclusie.

3.1.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en onder verwijzing naar de door haar ingediende rapporten het door de rechtbank gevolgde standpunt van het Uwv bestreden. Appellante heeft daarbij onder meer gesteld dat achteraf bezien het Uwv er ten onrechte van is uitgegaan dat zij ten tijde van de beëindiging van haar WAO-uitkering per 1 februari 2006 geen psychische klachten en beperkingen had. Volgens appellante zijn per de te beoordelen datum 1 januari 2009 haar psychische beperkingen toegenomen en was zij niet in staat om te werken. Appellante heeft nog een aanvullend rapport van Witte van 20 december 2016 overgelegd.

3.2.

Het Uwv is in hoger beroep tot de conclusie gekomen dat de aanvraag van appellante van 5 augustus 2013 ten onrechte alleen is beoordeeld als een verzoek om, in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2009, opnieuw voor een WAO-uitkering in aanmerking te worden gebracht en niet tevens – naar haar strekking – als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 januari 2006 met betrekking tot de beëindiging van de WAO-uitkering per 1 februari 2006. Het Uwv heeft daarom de aanspraken van appellante nader beoordeeld en bij besluit van 27 februari 2018 met een gewijzigde motivering opnieuw beslist om het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 21 oktober 2013 ongegrond te verklaren. Het nadere besluit is gebaseerd op rapporten van 5 februari 2018 en 22 februari 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het Uwv heeft vermeld dat dit nieuwe besluit in de plaats komt van bestreden besluit 1 en heeft verzocht het nadere besluit in de beoordeling te betrekken.

3.3.

Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met het nieuwe besluit en heeft onder verwijzing naar het rapport van Witte van 19 juni 2015 aangevoerd dat haar aan PTSS gerelateerde klachten ook vóór 2006 aanwezig waren, dat zij in 2009 in verband daarmee arbeidsongeschikt was en dat zij op grond van artikel 43a van de WAO recht heeft op een

WAO-uitkering. Appellante heeft ondanks pogingen daartoe geen reactie van Witte of van de aan PDC verbonden psychiater op het nadere standpunt van het Uwv verkregen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Het besluit van 27 februari 2018 (bestreden besluit 2) wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken. In hoger beroep dient de aangevallen uitspraak te worden beoordeeld, wat betreft bestreden besluit 1 en moet het beroep tegen bestreden besluit 2 worden beoordeeld.

4.2.

Het hoger beroep van appellante treft doel, nu het Uwv bij bestreden besluit 2 het bestreden besluit 1 niet langer heeft gehandhaafd. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd, het beroep zal gegrond worden verklaard en bestreden besluit 1 zal worden vernietigd.

4.3.

Aansluitend moet worden beoordeeld of bestreden besluit 2 in stand kan blijven. Bij dit besluit heeft het Uwv in de eerste plaats beslist dat de nieuw ingebrachte informatie geen aanleiding vormt om met terugwerkende kracht terug te komen van het besluit van

10 januari 2006 waarbij is vastgesteld dat appellante vanaf 1 februari 2006 geen recht op een WAO-uitkering meer had en in de tweede plaats dat er geen reden is om vanaf het moment van het herzieningsverzoek van 5 augustus 2013 van dat besluit terug te komen. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de in 2013/2014 gestelde diagnose PTSS volgens de verzekeringsarts weliswaar een nieuw gegeven vormt, maar niet is te beschouwen als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb, omdat niet aannemelijk is dat de PTSS-klachten van appellante altijd al hebben bestaan. Voorts heeft het Uwv beslist dat, voor zover de aanvraag van appellante van 5 augustus 2013 is bedoeld als een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2009 als bedoeld in artikel 43a van de WAO, de aanvraag moet worden afgewezen omdat van toegenomen arbeidsongeschiktheid geen sprake is. Voor de motivering hiervan is verwezen naar bestreden besluit 1 en het daaraan ten grondslag liggende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juni 2014. Ten slotte heeft het Uwv beslist geen aanleiding te zien om appellante met toepassing van artikel 43a van de WAO met ingang van medio 2006 weer in aanmerking te laten komen voor een WAO-uitkering omdat, gelet op het late tijdstip van de aanvraag, niet meer zou zijn vast te stellen in welke mate de toen tijdelijk toegenomen klachten van appellante hebben geleid tot beperkingen.

4.4.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Voor de toetsing is van belang of het Uwv al of niet inhoudelijk heeft beoordeeld of de nieuwe informatie aanleiding vormt terug te komen van het eerdere afwijzende besluit (zie de uitspraken van de Raad van

27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115, 7 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:500 en 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:894). In artikel 43a van de WAO is bepaald dat, indien degene wiens WAO-uitkering is ingetrokken, binnen vijf jaar na die intrekking arbeidsongeschikt wordt en die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.5.1.

Appellante is in 1999 met psychische klachten voor haar werk uitgevallen en heeft vanaf 28 augustus 2000 een WAO-uitkering ontvangen tot 23 februari 2005 en vervolgens van 9 maart 2005 tot 1 februari 2006. Aan de beëindiging van de WAO-uitkering per zowel 23 februari 2005 als 1 februari 2006 heeft ten grondslag gelegen dat appellante geen psychische beperkingen meer had en in staat was haar vroegere functie van consultant uit te oefenen. De arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 9 maart 2005 was het gevolg van een polsoperatie, die enige tijd fysieke beperkingen voor appellante met zich mee heeft gebracht. Appellante heeft destijds het ontbreken van psychische beperkingen in de genoemde perioden niet bestreden en heeft tegen de beëindiging van haar uitkering per 1 februari 2006 geen bezwaar gemaakt.

4.5.2.

Uit de gedingstukken is gebleken dat appellante van juni 2006 tot juni 2007 met onderbrekingen onder behandeling is geweest van een psycholoog en dat het contact vooral steunend en structurerend is geweest. Daarna is appellante van mei 2014 tot oktober 2014 onder behandeling geweest van de in 2.1 genoemde GZ-psycholoog Van Wetten na een heftige gebeurtenis in haar privéleven. Door deze psycholoog is voor het eerst gesteld dat appellante PTSS-klachten heeft en dat onder meer sprake is van een chronisch trauma.

4.5.3.

Bij haar aanvraag op 5 augustus 2013 heeft appellante vooral erop gewezen dat zij vanaf 2009 chronisch ziek is geworden door astma en allergieklachten. Ook heeft zij gesteld dat zij heeft geprobeerd om in loondienst, als zelfstandige en als vrijwilliger te werken, maar dat het niet ging omdat zij psychisch de druk niet aankan.

4.5.4.

Uit het rapport bij het behandeladvies van PDC naar aanleiding van het op

2 december 2014 verrichte onderzoek door een psycholoog en een psychiater volgt dat appellante een belaste achtergrond heeft en dat er vooral sprake is van chronische en ernstige PTSS, waarvoor een verdere behandeling is geïndiceerd. De onderzoekers wijzen daarbij onder meer op een moeilijke relatie van appellante met een man begin 2000 en op het gegeven dat appellante en haar zoon in 2009 na een faillissement ernstig bedreigd zijn door schuldeisers.

4.5.5.

Onafhankelijk psychiater Witte, die appellante op haar verzoek heeft onderzocht, heeft blijkens zijn op 19 juni 2015 uitgebrachte rapport geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een chronisch, in feite levenslang, patroon van verstoring van een normale ontwikkeling op basis van een reeks aan traumatische ervaringen. Hij heeft in zijn rapport onder meer vermeld dat appellante in 2013 weer met geweld is bejegend door haar ex-partner en dat zich in 2014 weer schuldeisers hebben aangediend. Volgens Witte wordt het toestandsbeeld van appellante ten tijde van zijn onderzoek verklaard door de traumatische en levensbedreigende ervaringen die zich tot 2009 hebben voorgedaan in haar leven. Witte heeft naar aanleiding van de vragen van appellante geconcludeerd dat zij op 29 januari 2009 leed aan een chronische PTSS en een posttraumatische zelfstoornis. In zijn nadere rapport van 21 oktober 2013 heeft Witte dit nog toegelicht door te vermelden dat de kern van de zaak is dat appellante gecompenseerd heeft geleefd, kwetsbaar is en meer heeft overleefd dan geleefd.

4.6.1.

Het besluit van het Uwv om niet terug te komen op de beëindiging van de

WAO-uitkering per 1 februari 2006 is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 februari 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht gelet op de nu voorhanden gegevens niet aannemelijk dat appellante altijd al en in het bijzonder op 1 februari 2006 ernstige beperkingen had als gevolg van een chronische PTSS en/of een persoonlijkheidsstoornis. Hij heeft erop gewezen dat de PTSS-diagnose pas in 2013 is gesteld, toen er weer een traumatische gebeurtenis was geweest in het leven van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht aannemelijk dat bij de ontwikkeling van de klachten vorige trauma’s een rol hebben gespeeld, maar dat betekent volgens hem niet dat de

PTSS-klachten altijd al bestaan hebben. Appellante is steeds door verzekeringsartsen gezien die de klachten nooit als PTSS hebben geduid en volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is duidelijk dat de PTSS-klachten pas in 2013 zijn ontstaan. In die periode heeft appellante daarvoor ook behandeling gezocht. In zijn rapport van 22 februari 2018 wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep er verder nog op dat uit de informatie van de behandelend psycholoog van appellante uit die periode volgt dat aannemelijk is dat vanaf halverwege 2006 er een periode was waarin appellante psychische klachten had, maar dat zij toen geen reden heeft gezien om een WAO-uitkering wegens toegenomen klachten aan te vragen.

4.6.2.

Volgens appellante moet uit het rapport van Witte worden afgeleid dat haar aan PTSS gerelateerde klachten ook al voor 2006 aanwezig waren, maar gemaskeerd werden door haar persoonlijkheid.

4.6.3.

Naar dezerzijds oordeel hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep van het Uwv overtuigend gemotiveerd dat de nieuw ingebrachte gegevens omtrent de PTSS-klachten van appellante geen reden zijn om terug te komen van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 februari 2006. Uit het rapport van Witte volgt dat appellante veel heeft meegemaakt, dat de normale ontwikkeling van haar persoonlijkheid verstoord is geweest en dat zij gecompenseerd heeft geleefd. Daaruit kan echter, zoals de verzekeringsartsen terecht hebben gesteld, niet worden geconcludeerd dat zij per

1 februari 2006 als gevolg van psychische beperkingen niet in staat was om haar vroegere functie van consultant uit te oefenen. Appellante werkte niet in die periode maar was wel druk aan het solliciteren omdat zij ook zelf vond dat ze weer kon werken. In die periode was appellante niet onder behandeling voor psychische klachten en uit de latere behandeling door een psycholoog vanaf de zomer van 2006 kan, gelet op de beschikbare gegevens daarover, ook niet worden afgeleid dat zij per 1 februari 2006 psychisch beperkt was om te werken. Voor zover het Uwv bij het bestreden besluit 2 heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 10 januari 2006, ook waar het betreft de aanspraken vanaf de aanvraagdatum, dient bestreden besluit 2 in stand te worden gelaten.

4.7.1.

Bij bestreden besluit 2 heeft het Uwv wederom besloten, mede onder verwijzing naar de motivering van bestreden besluit 1 op dit punt, dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanaf 1 januari 2009 bij appellante op grond van artikel 43a van de WAO. De astmaklachten van appellante uit 2009 had zij nog niet in 2006, zodat ten aanzien daarvan sprake is van een andere oorzaak en appellante daarom aan artikel 43a van de WAO geen recht op uitkering kan ontlenen. De in 2013 geconstateerde psychische klachten kunnen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook niet zonder meer naar 2009 geëxtrapoleerd worden, nu appellante daarmee opleidingen heeft kunnen volgen en werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Blijkens de rapporten van 11 september 2015 en

10 november 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de verzekeringsartsen in november 2014 en september 2015 geen indicaties hebben gevonden voor het aannemen van psychische beperkingen, dat appellante zelf in november 2005 heeft aangegeven dat zij psychisch hersteld was en dat appellante van november 2007 tot juli 2009 een kledingzaak heeft gehad.

4.7.2.

Appellante is van mening dat uit de rapporten van Witte moet worden afgeleid dat zij op 1 januari 2009 toegenomen psychische beperkingen had en daarom toegenomen arbeidsongeschikt was uit dezelfde oorzaak als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

4.7.3.

Vastgesteld wordt dat niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheid op basis waarvan appellante tot 1 februari 2006 een WAO-uitkering heeft ontvangen mede was gebaseerd op de psychische beperkingen die zij in die periode afwisselend heeft gehad. Uit de gedingstukken volgt voorts dat haar vroegere functie van consultant in psychisch opzicht belastend was en dat appellante tot 1 februari 2006 als gevolg van bij haar vastgestelde psychische beperkingen voor dat werk ongeschikt werd geacht. Hieruit volgt dat, als bij appellante op en na

1 januari 2009 psychische beperkingen worden vastgesteld, afhankelijk van de zwaarte daarvan aannemelijk is dat appellante niet in staat was vanaf 1 januari 2009 om haar eigen oude functie te vervullen. Gelet op de hoogte van haar zogenoemde maatmanloon is voorts aannemelijk dat, als de verdiencapaciteit van appellante wordt gebaseerd op mogelijk voor haar geschikte functies, die verdiencapaciteit met tenminste 15% zal zijn afgenomen, zoals ook het geval was bij een beoordeling door een arbeidsdeskundige van 12 december 2001. Tot slot is tussen partijen niet in geschil, zoals is gebleken uit het verhandelde ter zitting en gelet op vaste rechtspraak van de Raad hierover, dat eventuele psychische beperkingen van appellante vanaf 1 januari 2009 voortkomen uit dezelfde oorzaak als de psychische beperkingen die mede ten grondslag hebben gelegen aan haar recht op WAO-uitkering tot 1 februari 2006.

4.7.4.

Naar dezerzijds oordeel moet op grond van de bevindingen van psychiater Witte, mede ook gezien de overige medische informatie, waaronder het advies van PDC, worden geconcludeerd dat appellante als gevolg van de pas in 2013 vastgestelde PTSS, vanaf 1 januari 2009 beperkt was in haar mogelijkheden om te werken. Het rapport van Witte is gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek van appellante, waarbij Witte alle beschikbare informatie heeft meegewogen. Na kritiek op zijn rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft Witte overtuigend vastgehouden aan zijn standpunt. Op grond van het rapport van Witte is daarom aannemelijk geworden dat appellante begin 2009 leed aan een chronische PTSS en aan een posttraumatische zelfstoornis, ook aangeduid als een complexe PTSS, die voor appellante beperkingen met zich mee heeft gebracht in de genoemde periode met betrekking tot haar arbeidsmogelijkheden. Van de zijde van het Uwv is door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep hier onvoldoende tegenover gesteld. De verwijzing door de verzekeringsarts in zijn rapport van 10 november 2015 naar beoordelingen in 2004 en 2005 zijn hierbij niet relevant, nu het gaat om de situatie in 2009. Ook het gegeven dat appellante zelf eind 2005 aangaf dat zij hersteld was is daarom niet van belang. Ook de verwijzing naar haar activiteiten aangaande haar kledingzaak tussen 2007 en 2009 kunnen niet afdoen aan de conclusie van Witte dat appellante begin 2009 relevante psychische beperkingen had. De gebeurtenissen in 2009 vormen eerder een aanwijzing voor de aanwezigheid van die beperkingen dan dat zij op het tegendeel wijzen.

4.7.5.

Gelet ook op wat in 4.7.3 is overwogen, volgt uit de vaststelling dat appellante op en na 1 januari 2009 psychische beperkingen had tot het verrichten van arbeid, dat

bestreden besluit 2 waar het betreft de weigering om appellante op grond van het bepaalde in artikel 43a van de WAO met ingang van 29 januari 2009 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, berust op een onvoldoende grondslag en in zoverre moet worden vernietigd.

4.7.6.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat bestreden besluit 2, voor zover daarbij is geweigerd om met ingang van 5 augustus 2013 terug te komen van het besluit van

10 januari 2006, dan wel per medio 2006 toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO, geen bespreking meer behoeft.

4.8.

Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 gegrond is en dat bestreden besluit 1 moet worden vernietigd. Uit wat in 4.3 tot en met 4.7.6 is overwogen volgt dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 gegrond is en dat dat besluit moet worden vernietigd, voor zover is geweigerd appellante op grond van het bepaalde in artikel 43a van de WAO met ingang van 29 januari 2009 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. In dit geval zijn er onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Daarom bestaat aanleiding het Uwv op te dragen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de aanspraken van appellante op grond van het bepaalde in artikel 43a van de WAO, ook waar het betreft de aanspraken rond de mogelijke ingangsdatum van een WAO-uitkering, met inachtneming van deze uitspraak, waaronder wat in 4.7.3 is overwogen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en op € 1.792,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 7,54 aan reiskosten in beroep en € 56,98 aan reiskosten in hoger beroep. De kosten van de rapporten van Witte komen voor vergoeding in aanmerking. Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt appellante bij een bestede tijd van 9,75 uur een forfaitaire vergoeding toe van € 1.189,01. De totale te vergoeden kosten bedragen € 4.069,53.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 juni 2014;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 februari 2018 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover het betreft de aanspraken van appellante op grond van artikel 43a van de WAO;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.069,53;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, en B.M. van Dun en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) W.M. Swinkels

md